Kruisverwijzing
doen
| lemma | meaning |
|---|---|
| abuhachitorazu-虻蜂取らず | tussen de wal en het schip vallen [geraken]; noch het een nog het ander (twee dingen tegelijkertijd proberen te doen, maar in geen van beide slagen) |
| aganau-贖う | goedmaken; compenseren; boete doen |
| ageru-上げる | tillen; omhoog doen [houden]; (op)rijzen; opstijgen; omhoog gaan |
| aguneru-倦ねる | iets moe worden [zat zijn]; interesse verliezen; teveel zijn voor (iemand); buiten iemands controle liggen; niet weten wat te doen |
| aisetsu-哀切 | pathetisch [aandoenlijk; zielig; droevig] gevoel |
| akaten-赤点 | een onvoldoende (cijfer op een toets of texamen) |
| akeru-開ける | openen; open doen |
| akinai-商い | handel; zaken (doen) |
| akinau-商う | handel drijven; zaken doen; verkopen |
| akkenai-呆気ない | onvoldoende; teleurstellend |
| akudō-悪道 | (boeddh.) het slechte pad volgen, d.w.z. in deze wereld slechte dingen doen en daardoor na de dood in de hel komen |
| anchūmosakusuru-暗中模索する | in het duister tasten (fig.); in het wilde weg iets doen |
| anjisuru-暗示する | een suggestie [voorstel] doen; suggereren; verwijzen (naar); impliceren; aanraden |
| ankan-安閑 | het nietsdoen; met de armen over elkaar zitten |
| an'itsu-安逸 | het nietsdoen; het luieren; luiheid; gemakzuchtigheid |
| ariamaru-有り余る | voldoende [overvloedig; meer dan genoeg] zijn |
| asobaseru-遊ばせる | (kinderen) laten [doen] spelen; hun gang laten gaan |
| asobu-遊ぶ | niets doen; luieren |
| assen-斡旋 | het moeite doen voor iem.; iem. van dienst zijn |
| atau-能う | kunnen (doen); mogelijk zijn; (met negatie) onmogelijk zijn |
| atetsukeru-当て付ける | insinueren; een hatelijke opmerking maken; hatelijk doen |
| atezuppō-当てずっぽう | een ruwe schatting; een wilde gok; willekeurig [in 't wilde weg] iets doen [zeggen] |
| atojisari-後退り | het terugtreden; terugtrekken; terugkrabbelen; een stap terug doen; achteruitgaan |
| atooi-後追い | het nabootsen; nadoen |
| atozusari-後退り | het terugtreden; terugtrekken; terugkrabbelen; een stap terug doen; achteruitgaan |
| au-合う | aan de standaard voldoen; aan criteria voldoen |
| ayamatsu-過つ | iets immoreels doen; een zonde begaan |
| azukaru-与る | deelnemen aan; mee doen met; een aandeel hebben in; betrokken zijn bij |
| azukeru-預ける | (iem.) vragen iets te doen; aan iemand's zorg toevertrouwen; iets aan iemand overlaten |
| baimei-売名 | reclame maken voor jezelf; iets doen omwille van de publiciteit; publiciteit zoeken |
| bamenkanmokushō-場面緘黙症 | selectief mutisme (psychische aandoening) |
| bashauma-馬車馬 | (fig.) oogkleppen op hebben; iets onverstoorbaar doen zonder afgeleid te worden door bijzaken |
| batchiri-ばっちり | perfect; uitstekend; precies goed; voldoende; genoeg |
| baya-ばや | (drukt een wens [plan] van de spreker uit om iets te doen) wil; zou willen |
| bekarazu-べからず | moet [kan] niet doen; zou niet moeten doen |
| benkyōzukue-勉強机 | (lett. studie-bureau) bureau; schrijftafel (m.n. in een kinderkamer om huiswerk aan te doen) |
| beppō-別法 | een andere [verschillende; alternatieve] werkwijze [methode; manier van doen] |
| bōekisuru-貿易する | handelen; handel drijven; zakendoen |
| bosabosa-ぼさぼさ | nietsdoen; lui; nutteloos; ledig |
| bosatto-ぼさっと | (onomatopee) afwezig; verstrooid; nietsdoend; nutteloos |
| bōsō-暴走 | het iets doen zonder aandacht voor de omgeving; iets doen zonder rekening te houden met de gevolgen |
| boyaboya-ぼやぼや | (onomatopee) afwezig; verstrooid; nietsdoend; nutteloos |
| buchiageru-打ち上げる | krachtige [brutale; gedurfde]] uitspraken doen; opscheppen |
| buri-振り | stijl; manier; pose; doen alsof |
| byō-病 | (in kanji combinaties) ziekte; aandoening; kwaal; zwakte; slechte gewoonte |
| byōkan-病患 | ziekte; kwaal; aandoening |
| byōshō-病症 | de aard van een ziekte [aandoening] |
| chakudatsu-着脱 | het aan- en uittrekken; het toevoegen en verwijderen; het aan- en uitdoen |
| chigiru-契る | (plechtig) beloven; een gelofte doen; een eed afleggen; zweren |
| chinko-沈痼 | langdurige ziekte [kwaal; aandoening] zonder genezing |
| chishō-地象 | verschijnselen die zich voordoen op aarde (zoals aardverschuivingen en aardbevingen) |
| daichōkeishitsushō-大腸憩室症 | diverticulose; diverticulosis (darmaandoening) |
| dakusuru-諾する | toestemmen; zich bereid verklaren; instemmen met; akkoord gaan; voldoen aan; inwilligen (verzoek) |
| dame-駄目 | nee!; stop!; niet doen! |
| dappō-脱法 | ontduiking van de wet; iets doen door de mazen van de wet |
| dashippanashinisuru-出しっ放しにする | iets aandoen [uithalen] en zo laten; de kraan aan laten staan; het water laten lopen |
| dasu-出す | op de post doen; (op)sturen; versturen; wegbrengen; afvaardigen |
| dasu-出す | (in combinatie met andere werkwoorden) beginnen te; naar buiten doen [gaan; bewegen] |
| datsusara-脱サラ | het zich bevrijden uit de tredmolen van een kantoorbaan, en voor zichzelf beginnen om leuk en zinvol werk te gaan doen |
| datsutanso-脱炭素 | ontkoling; het ontdoen van koolstof |
| daunshifuto-ダウンシフト | een stapje terugdoen; het rustiger aan gaan doen |
| dekasu-出来す | doen; uitvoeren; bereiken |
| dogeza-土下座 | knielen (voor iemand, om eerbied te tonen, een verzoek te doen, iets af te dwingen, of ter verontschuldiging) |
| dōjiru-動じる | van streek [geschokt; ongerust; geagiteerd; in de war; uit zijn doen] zijn |
| doku-退く | een stap terug [opzij] doen; uit de weg gaan; ruimte maken (voor) |
| donto-どんと | veel; in voldoende mate |
| dorai・ai-ドライ・アイ | droge ogen (oogaandoening, Keratoconjunctivitis sicca) |
| dōshi-導師 | dienstdoende priester [monnik] (m.n. tijdens een begrafenis) |
| doyomosu-響もす | doen [laten] weerklinken [weergalmen; trillen; dreunen] |
| dōzuru-動ずる | van streek [geschokt; ongerust; geagiteerd; in de war; uit zijn doen] zijn |
| eigyōken-営業権 | handelsrecht; recht om zaken te doen |
| eigyōsuru-営業する | handelen; zaken doen |
| esutopperu-エストッペル | estoppel (juridisch principe dat voorkomt dat iemand recht kan doen gelden dat in strijd is met zijn eerdere handelingen of uitspraken) |
| esutopperunogensoku-エストッペルの原則 | estoppel principe (juridisch principe dat voorkomt dat iemand recht kan doen gelden dat in strijd is met zijn eerdere handelingen of uitspraken) |
| esu・tī・dī-エス・ティー・ディー | (sexually transmitted disease) seksueel overdraagbare aandoening (SOA) |
| fū-風 | wijze; manier van doen; gewoonte |
| fūfū-ふうふう | (onomatopee) geworstel; met moeite (iets doen) |
| fūjikomeru-封じ込める | insluiten; opsluiten; iets ergen indoen en afsluiten [verzegelen] |
| fujūbun-不十分 | ontoereikend [onvoldoende; niet genoeg] zijn |
| fuka-不可 | een onvoldoende (score op toets) |
| fukanzenshūgyō-不完全就業 | onderbezetting; niet voldoende werkgelegenheid |
| fumidasu-踏み出す | vooruitgaan; vooruitlopen; een stap naar voren doen; uitstappen; (fig.) een eerste stap zetten; beginnen; van start gaan |
| fumikomu-踏み込む | binnenstappen; binnenvallen; een inval doen |
| funkotsu-粉骨 | (lett. botten tot poeder vermalen) je uiterste best (doen) |
| funkotsusaishinsuru-粉骨砕身する | zijn uiterste best doen; een uiterste inspanning leveren; alles doen wat mogelijk is |
| funpatsusuru-奮発する | zich inspannen; zware inspanningen leveren; je uiterste best doen |
| funsuru-扮する | zich (ver)kleden [voordoen] als; vertolken; imiteren; zich uitgeven voor; zich vermommen |
| funzorikaeru-ふんぞり返る | hooghartig [uit de hoogte] doen |
| furu-振る | weigeren; afwijzen; wegdoen |
| furuiotosu-篩い落とす | zeven; filteren; ontdoen (van); afscheiden |
| fushinsuru-腐心する | zijn uiterste best doen; alle moeite doen; zich veel inspanningen getroosten |
| fushōfuzui-夫唱婦随 | (de opvatting:) een vrouw moet haar man gehoorzamen [moet doen wat haar man vraagt] |
| fusokukin-不足金 | negatief saldo op een rekening; onvoldoende tegoed |
| futokorode-懐手 | ledigheid; het nietsdoen |
| fuzakeru-ふざける | grappen [plezier] maken; ronddartelen; gek doen; geintjes uithalen |
| gachi-勝ち | (als suffix achter zelfst.naamwoorden of de renyōkeivorm van werkwoorden) de neiging hebben om; iets frequent [vaak] doen |
| gaden'insui-我田引水 | zijn eigen belangen nastreven; iets doen uit eigenbelang; het eigen belang vooropstellen |
| gaisuru-害する | beschadigen; aantasten; kwaad doen; pijnigen; kwetsen; schaden |
| gaitōsuru-該当する | overeenkomen met; van toepassing zijn (op); voldoen aan |
| ganshitsu-眼疾 | oogziekte; oogkwaal; oogaandoening |
| gatai-難い | (gebruikt als suffix) moeilijk (te doen) zijn |
| giaku-偽悪 | pseudo-slecht zijn; het zich voordoen [gedragen] als een slechte persoon; doen alsof je een slechterik bent |
| gokko-ごっこ | (achtervoegsel) spel van doen alsof; spel van nabootsing |
| goneru-ごねる | klagen; moeilijk doen over; een probleem maken van |
| goran ni naru-御覧になる | (respectvolle uitdrukking na de -te vorm van een werkwoord) (uit)proberen; (eens) doen (en kijken hoe het gaat) |
| guigui-ぐいぐい | (iets) hard [krachtig; sterk] (doen) |
| gyofunori-漁夫の利 | het profiteren [krijgen] van iets waar anderen hun best voor doen [waar anderen om vechten] |
| gyōzuru-行ずる | doen |
| hagemu-励む | (zich) inspannen; met alle kracht iets doen; zich inzetten voor; zich wijden aan |
| haiiromuzai-灰色無罪 | (lett. grijze onschuld) onschuldig ondanks verdenking (vanwege onvoldoende bewijs) |
| haiki-廃棄 | het (iets) wegdoen [verwijderen; weggooien; afdanken] |
| hairu-入る | binnengaan; ingaan; heengaan; meedoen |
| hajiru-恥じる | inferieur zijn (aan); niet voldoen (aan) |
| hakobu-運ぶ | (iets) verplaatsen [dragen]; [移動させる] iets doen verplaatsen [transporteren; vervoeren] |
| haku-佩く | (kleding, schoenen, e.d.) dragen; aandoen |
| haku-履く | (schoenen, kousen, broek, e.d.) aandoen; aantrekken; dragen |
| hanareru-離れる | afstand doen van zijn baan [positie] |
| hanmenkyōshi-反面教師 | (Chinees gezegde) een goed voorbeeld [een goede leermeester] van wat je zeker niet moet doen [volgen] |
| hanseisuru-反省する | heroverwegen; zelfonderzoek [gewetensonderzoek] doen |
| hanzei-反噬 | het zich tegen de meester [weldoener] keren; een hond die zijn baasje bijt |
| haoru-羽織る | aantrekken; aandoen; (aan)kleden |
| haragei-腹芸 | (op subtiele manier) iemand overhalen om iets te doen |
| haragoshirae-腹拵え | iets eten voorafgaand aan werkzaamheden; eerst eten voordat je iets gaat doen |
| harau-払う | betalen; uitbetalen; afbetalen; (de rekening) voldoen |
| hasseisuru-発生する | gebeuren; zich voordoen; ontstaan; voortkomen (uit); uitbreken (van ziekte, etc.); uitbarsten (vulkaan) |
| hatarakikakeru-働きかける | het initiatief nemen; beïnvloeden; een beroep doen (op) |
| hataraku-働く | plegen; begaan; (iets slechts) doen |
| hatashite-果たして | in dat geval; daardoor; zodoende; dientengevolge |
| hautsū-ハウツー | hoe te (doen); op welke manier; handleiding |
| hazusu-外す | losmaken; openmaken; ontsluiten; afdoen; uitdoen |
| heiro-閉炉 | (in Zen tempels, op eerste dag van de 2de maand van de maankalender) het doven [uitdoen] van de van de vuurhaard [open haard] |
| henjō-返上 | het niet opnemen; afstand doen van |
| herupesu-ヘルペス | herpes (huidaandoening) |
| hidariuchiwa-左団扇 | welgesteldheid; in goede doen zijn |
| hifushikkan-皮膚疾患 | huidaandoening; huidproblemen |
| hima-暇 | de tijd die nodig is (om iets te doen) |
| himajin-閑人 | iemand die veel vrije tijd [niets te doen] heeft; een luilak |
| hinikunotan-髀肉の嘆 | spijt over het verspillen van tijd; het betreuren van het niets doen |
| hitahita-ひたひた | voldoende vloeistof [vocht] |
| hittekisuru-匹敵する | gelijkwaardig zijn aan; zich kunnen meten met; niet onderdoen voor; opgewassen zijn tegen |
| hōdai-放題 | het je eigen zin doordrijven; doen wat je wilt |
| hodokosu-施す | verrichten; doen; verlenen; toedienen |
| hodotooi-程遠い | te kort schietend; niet goed genoeg; niet voldoend aan |
| honba-本場 | de plaats [locatie] (van; voor; om iets te doen) |
| honmō-本望 | tevredenheid; voldoening |
| honrō-翻弄 | het slingeren; zwalken; (doen) dobberen; (doen) schommelen; een speelbal zijn; bespelen; voor de gek houden |
| hookaburi-頬被り | het je kop in het zand steken [doen alsof je iets niet weet] |
| hookaburisuru-頬被りする | je kop in het zand steken; doen alsof je iets niet weet |
| hōru-放る | weggooien; afstand doen van |
| hōshin-疱疹 | herpes (huidaandoening) |
| hyappatsuhyakuchū-百発百中 | altijd raak schieten; onfeilbaar zijn; het altijd goed doen |
| iai-居合い | iai, in een soepele beweging het zwaard trekken, de tegenstander neermaaien, en daarna het zwaard terug in de schede doen |
| iaijutsu-居合術 | de iai-krijgskunst, het in een soepele beweging het zwaard trekken, de tegenstander neermaaien, en daarna het zwaard terug in de schede doen |
| ibyō-胃病 | maagaandoening; maagklachten |
| igenbyō-医原病 | iatrogene aandoening (veroorzaakt door medisch handelen) |
| iikikaseru-言い聞かせる | iem. iets laten doen [voorschrijven; opleggen]; iem. ergens op attenderen; waarschuwen |
| iikurumeru-言い包める | iem. voor de gek houden; iem. iets wijs maken; iem. ompraten; iem. overhalen iets te doen |
| ikan-いかん | niet mogen; niet kunnen; niet moeten; niet behoren te (doen) |
| ikeru-行ける | iets (goed) kunnen doen |
| ikkyo-一挙 | alles tegelijk [in één keer] doen |
| irassharu-いらっしゃる | (ww.suf.)..doende; ...zijnde |
| ire-入れ | het (iets ergens) indoen |
| ireru-入れる | (iets ergens) in doen [stoppen] |
| ireru-入れる | meedoen; deelnemen; lid worden |
| irusu-居留守 | het doen alsof je niet thuis bent (voor bezoekers) |
| isamiashi-勇み足 | te ver gaan [teveel je best doen; overijverig zijn] (en daardoor falen) |
| ishoku-委嘱 | het toevertrouwen (aan iem. van iets); iem. vragen iets te doen |
| ishokusuru-委嘱する | iem. iets toevertrouwen; iem. vragen iets te doen |
| isshokenmei-一所懸命 | met de volle inzet [met grote moeite; uit alle macht] (iets doen) |
| itadaki-頂 | het iets zonder moeite doen; makkelijk winnen [voor elkaar krijgen] |
| itadaku-頂く | (iem. iets) laten doen |
| itamu-痛む | pijn hebben; (pijn) lijden; pijn doen; kwetsen; pijnlijk zijn |
| itasu-致す | doen [maken] (in nederig-beleefde vorm) |
| itatsuki-労 | ziekte; aandoening |
| itazuki-労き | ziekte; aandoening |
| itooshii-愛おしい | schattig; lief(e)lijk; lieftallig; vertederend; aandoenlijk |
| itsuwaru-偽る | liegen; bedriegen; doen alsof; veinzen; vervalsen |
| iyagaru-嫌がる | een hekel [afkeer; tegenzin] hebben (om iets te doen) |
| izen-以前 | niet voldoen aan een bepaald voorstadium |
| jibyō-持病 | een chronische ziekte; oude [terugkerende] aandoening [klacht; kwaal] |
| jidori-地鳥 | een vrije uitloop kip (die in Japan aan bepaalde strenge voorwaarden moet voldoen) |
| jiki-時機 | (goede) gelegenheid; kans; goede [geschikte] tijd (om iets te doen) |
| jinsha-仁者 | een welwillende [liefdadige] persoon; weldoener; filantroop |
| jison-自損 | door eigen toedoen verwonding of schade oplopen |
| jisuru-辞する | (met ontkenning) bereid zijn te doen; (vastberaden) doorgaan; niet opgeven |
| jiyūhonpō-自由奔放 | freewheelen; het kalm aandoen; zich niet druk maken |
| jizai-自在 | persoonlijke vrijheid (om te doen wat je wilt) |
| jōdō-情動 | emotie; affect; gemoedsaandoening; gemoedstoestand |
| jōhosuru-譲歩する | inbinden; concessie(s) doen; stap terug doen (fig.) |
| jōmu-乗務 | het dienstdoen [werkzaam zijn] als bestuurder van een voertuig (trein, vliegtuig, e.d.) |
| jōshinsuru-上申する | verslag doen [rapporteren] aan een meerdere [superieur] |
| jūbun-十分 | voldoende; genoeg; toereikend |
| jūbunjōken-十分条件 | voldoende woordwaarden (relatie tussen stellingen) |
| jūbyō-重病 | ernstige ziekte [aandoening] |
| jūkan-重患 | ernstige ziekte [aandoening] |
| jukensuru-受験する | examen doen |
| jūnibun-十二分 | meer dan genoeg; ruimschoots; volledig voldoende |
| jūshō-重症 | ernstige ziekte [aandoening] |
| jūsoku-充足 | toereikendheid; het voldoende [genoeg] zijn |
| kaibyaku-開白 | (boeddh.) het begin [de eerste dag] van de rituelen van bidden tot [het doen van geloften aan] Boeddha |
| kaidashi-買い出し | het boodschappen gaan doen; uitgaan om boodschappen [inkopen] te doen |
| kaijōsuru-開錠する | ontgrendelen; van het slot doen |
| kaikō-開口 | de mond opendoen; beginnen met spreken |
| kaikomu-買い込む | (veel) inkopen; een grote aankoop doen |
| kakebarai-掛け払い | het betalen [voldoen] van de rekening(en) |
| kakeru-欠ける | niet voldoen aan; te kort schieten; niet genoeg zijn |
| kakkōtsukeru-格好つける | zich uitsloven; stoer doen |
| kamaite-構い手 | verzorger; weldoener; helper; metgezel |
| kaminsuru-仮眠する | dutten; een dutje [hazenslaapje; tukje] doen |
| kamioroshi-神降ろし | aanroeping (in een shinto heiligdom) van een medium aan een god om (tijdelijk) bezit van haar te nemen om voorspellende uitspraken te kunnen doen |
| kanau-適う | overeenkomen met; voldoen aan |
| kanjin-閑人 | iemand die veel vrije tijd [niets te doen] heeft; een luilak |
| kankai-勧戒 | aanmoediging [vermaning] om het goede te doen en waarschuwing tegen het kwade |
| karagenki-空元気 | vals [onecht] vertoon van moed [lef]; net doen alsof alles goed gaat |
| karaibari-空威張り | bluf; opschepperij; stoer doen |
| karidasu-駆り出す | (iem.) pressen [pushen; aansporen] om iets te doen; ronselen; rekruteren |
| kasumeru-掠める | misleiden; bedriegen; om de tuin leiden; (iets) stiekem doen |
| kasumime-翳み目 | aandoening waarbij het gezichtsvermogen is verslechterd door ouderdom, ziekte, etc.; slechtziendheid |
| katai-過怠 | (feodaal Japan) bestraffing van een fout of misdaad via geldelijke vergoeding of verplichte arbeid te voldoen |
| katarau-語らう | iemand vragen [uitnodigen] om mee te gaan [doen]; samenkomen |
| katchirisuru-かっちりする | iets heel precies [secuur] doen |
| kechigan-結願 | (boeddh.) het einde [de laatste dag] van de rituelen van bidden tot [het doen van geloften aan] Boeddha |
| kechigannichi-結願日 | (boeddh.) de laatste dag van de rituelen van bidden tot [het doen van geloften aan] Boeddha |
| keishō-軽症 | milde ziekte; licht geval; milde aandoening |
| kekkō-結構 | goed [in orde; prima; voldoende] zijn |
| kengifujūbun-嫌疑不十分 | gebrek aan bewijs, onvoldoende aanknopingspunten [verdenking] |
| kenkō-兼行 | het meerdere dingen tegelijkertijd doen |
| kenkyūsuru-研究する | onderzoeken; onderzoek doen; bestuderen |
| kenshikibaru-見識張る | zich wijs [belangrijk; waardig] voordoen; doen alsof je wijs [slim] bent |
| keroritosuru-けろりとする | doen alsof er niets gebeurd is |
| kessoku-結束 | het dragen [aandoen; aantrekken; aangespen] van kleding en wapenrusting |
| kesu-消す | uitdoen; doven; afzetten; uitzetten |
| kiken-棄権 | onthouding van stemmen; afstand doen van een recht |
| kikitori-聞き取り | het luisteren naar anderen; het opdoen van informatie [kennis] door luisteren |
| kikitoru-聞き取る | informatie zoeken; navraag doen |
| kimakase-気任せ | het de eigen wil [zin; voorkeur] volgen [doen] |
| kimekomu-決め込む | zich inbeelden; een hoge dunk van zichzelf hebben; doen alsof |
| kinhangen-禁反言 | estoppel (juridisch principe dat voorkomt dat iemand recht kan doen gelden dat in strijd is met zijn eerdere handelingen of uitspraken) |
| kinki-禁忌 | taboe; iets dat je niet moet doen |
| kinkō-欣幸 | vreugde; plezier; blijdschap; voldoening |
| kinori-気乗り | geïnteresseerd zijn (in); zin hebben om iets te doen; enthousiasme |
| kinsoku-禁足 | opsluiting; huisarrest; bewegingsbeperkende maatregel; disciplinaire straf (b.v. waarbij politie-ambtenaren alleen kantoorwerk mogen doen) |
| kioitatsu-気負い立つ | staan te popelen; staan te trappelen (om iets te doen) |
| kiou-気負う | opgewonden [enthousiast; zenuwachtig] worden (alvorens iets te doen) |
| kiru-切る | ophouden; beëindigen; ophangen; verbreken; afbreken; uitdoen; uitzetten; (iem.) ontslaan |
| kisuru-期する | beloven; een belofte doen |
| kitsuke-気付け | doen opleven; bij (bewustzijn) brengen |
| kizutsukeru-傷つける | (iem.) kwetsen; bezeren; verwonden; pijn doen (ook fig.) |
| kōeki-交易 | handel; handelsverkeer; het zaken doen {met) |
| kōgekisuru-攻撃する | aanvallen; een aanval [inval] doen; bekritiseren |
| kokoromakase-心任せ | het doen wat je wilt; je eigen gang gaan |
| kokuru-こくる | (gekoppeld aan andere werkwoorden) blijven doen; doorgaan met |
| komu-込む | (in combinatie met een ander werkwoord) ingaan; inzetten; grondig [voortdurend] doen |
| konjuhōshō-紺綬褒章 | medaille met donkerblauw lint (een prestigieuze Japanse eremedaille voor weldoeners die grote sommen geld hebben gedoneerd voor het algemeen welzijn) |
| konpōsuru-梱包する | verpakken; inpakken; bekisten; in kratten doen |
| koodorisuru-小躍りする | een vreugdedansje doen; dansen van plezier [blijdschap] |
| koryū-古流 | oude stijl; oude manier van doen |
| kōsan-降参 | het verstomd doen staan; sprakeloosheid |
| koshidame-腰撓め | het ondoordacht [impulsief] reageren; het iets doen [ondernemen] zonder voorbereiding |
| koshitsu-痼疾 | een chronische aandoening [ziekte] |
| kotohogu-言祝ぐ | feliciteren; iemand succes wensen; de beste wensen doen |
| kototariru-事足りる | volstaan; genoeg [voldoende] zijn |
| kotozukaru-言付かる | iets toevertrouwd krijgen; gevraagd worden om iets te doen |
| kotsuage-骨上げ | de ceremonie waarbij de familieleden na de crematie gezamenlijk uit de as van de overledene de overgebleven botjes zoeken en in een urn doen |
| kotsuhiroi-骨拾い | de ceremonie waarbij de familieleden na de crematie gezamenlijk uit de as van de overledene de overgebleven botjes zoeken en in een urn doen |
| kōyō-効用 | de mate waarin goederen en diensten voldoen aan de wensen van consumenten |
| kudokiotosu-口説き落とす | (iemand) overtuigen; overhalen om (iets te doen) |
| kūken-空拳 | het iets op eigen kracht doen; iets zelf aanpakken (zonder hulp van anderen) |
| kumisuru-与する | meedoen; deelnemen; instemmen met; het eens zijn met; iemands kant kiezen |
| kureru-呉れる | (iets voor iem.) doen |
| kuridasu-繰り出す | een uitval doen; vooruit stoten (met een speer, e.d.) |
| kuriireru-繰り入れる | (iets ergens) in doen; toevoegen; overbrengen |
| kurikaesu-繰り返す | herhalen; opnieuw [nog eens] doen |
| kuruijini-狂い死に | dood door een psychische aandoening; waanzinnig sterven |
| kushinsantansuru-苦心惨憺する | veel moeite [inspanningen] doen; zijn uiterste best doen |
| kutsurogu-寛ぐ | luieren; zich ontspannen; relaxen; doen alsof men thuis is |
| kyōhakusuru-強迫する | (iem.) dwingen (iets te doen) |
| kyosei-虚勢 | bluf; grootspraak; bravoure; dikdoenerij |
| kyozen-居然 | stil [rustig; vredig] zijn; zonder te bewegen; zonder iets te doen |
| kyūjō-休場 | het niet meedoen van acteurs, sporters, etc. |
| kyūkonsuru-求婚する | een huwelijksaanzoek doen |
| kyūsei-急性 | acuut zijn; acute toestand [aandoening; ziekte] |
| kyūsuru-窮する | in de war zijn; niet weten wat te doen; in de problemen zitten |
| maipēsu-マイペース | dingen in je eigen tempo [op je eigen manier] doen |
| makiokosu-巻き起こす | veroorzaken; doen ontstaan [opwaaien]; ophef veroorzaken |
| manbyō-万病 | allerlei ziekten [kwalen; aandoeningen] |
| maneru-真似る | nadoen; imiteren; nabootsen; gedrag kopiëren |
| mankitsu-満喫 | voldoende [genoeg; veel] eten en drinken |
| mansei-慢性 | chronisch zijn (aandoening; ziekte) |
| manseibyō-慢性病 | een chronische ziekte [aandoening] |
| manzoku-満足 | toereikendheid; voldoende hoeveelheid |
| manzoku-満足 | tevredenheid; voldoening |
| mawaru-回る | rondgaan; rondrennen; de ronde doen; ronddraaien |
| mazumazu-先ず先ず | toelaatbaar; aanvaardbaar; acceptabel; afdoende |
| metsuzai-滅罪 | (boeddh.) boetedoening |
| michikusa-道草 | getreuzel; het nietsdoend rondhangen |
| mihakarau-見計らう | iets naar eigen inzicht doen; naar eigen goeddunken iets doen; zelf beslissen over iets |
| mihiraku-見開く | (de ogen) wijd opendoen [opensperren] |
| mikaeru-見変える | iets anders (ver)kiezen [liever hebben]; stoppen en iets anders gaan doen |
| mimawaru-見回る | een inspectieronde doen; patrouilleren |
| miokuru-見送る | iemand uitgeleide doen [uitzwaaien; wegbrengen] |
| misekakeru-見せかける | laten lijken als; doen voorkomen; veinzen |
| mitasu-満たす | vervullen; voldoen (aan) |
| miuri-身売り | het verkopen; van de hand doen (van de eigen onderneming, zaak, e.d.) |
| miyōmimane-見様見真似 | leren door naar anderen te kijken (en na te doen) |
| mizugokoro-水心 | een wederdienst; iets terugdoen |
| mochinaosu-持ち直す | herstellen; verbeteren; doen herleven [opbloeien] |
| moetatsu-燃え立つ | het doen oplaaien van een brand; hevig branden; fel kleuren |
| momu-揉む | (handel) een klein bod (hoog of laag) doen op de beurs (vaak in herhaling) |
| mononareru-物慣れる | ervaren worden; ervaring opdoen |
| morahadaonugu-諸肌を脱ぐ | je uiterste best doen |
| morau-貰う | een gunst [handeling] ontvangen; iemand iets laten doen voor je |
| moritateru-守り立てる | doen herleven; laten opbloeien; nieuw leven inblazen |
| mōshideru-申し出る | voorstellen; suggereren; een suggestie doen; aanbieden; een aanbod doen; aanvragen; verzoeken |
| mōshiireru-申し入れる | voorstellen; aanbieden; een voorstel [aanbod] doen; opmerkingen maken (over); (iets) laten weten |
| mōshikomu-申し込む | verzoeken; aanvragen; een aanzoek doen (van huwelijk); uitdagen |
| mosuru-模する | Imiteren; kopiëren; nadoen; namaken |
| motageru-擡げる | (het hoofd) opheffen; optillen; oprichten; de kop opsteken; doen ontstaan |
| muriōjō-無理往生 | het met dwang iemand iets te laten doen; gedwongen medewerking |
| mutekatsuryū-無手勝流 | een eigen stijl; dingen op je eigen manier doen |
| nagekakeru-投げかける | omdoen; omslaan (b.v. een sjaal, e.d.) |
| nagekubi-投げ首 | (met gebogen hoofd) niet weten wat te doen |
| naharu-なはる | (erend werkwoord voor する) doen; maken |
| nai-無い | niet gebeuren; niet doen |
| naikinsuru-内勤する | werken binnen een kantoor [gebouw]; bureauwerk [kantoorwerk] doen |
| naishinsuru-内診する | inwendig [gynaecologisch] onderzoek doen |
| nakanaka-中中 | meer dan verwacht; behoorlijk; voldoende; matig |
| nakerebanaranai-なければならない | (zou) moeten (doen) |
| nakunaru-無くなる | niet meer zijn; ontbreken; weg zijn; niet meer doen |
| namayude-生茹で | onvoldoende gekookt; halfgekookt |
| namidagumashii-涙ぐましい | (lit.) pathetisch; aandoenlijk; ontroerend; deerniswekkend; erbarmelijk |
| namidamajiri-涙混じり | het huilend iets doen; in tranen iets doen; huilend; in tranen |
| nanakorobiyaoki-七転び八起き | (spreekwoord) met vallen en opstaan (leren); al doende leert men (lett. 7 keer vallen, 8 keer opstaan) |
| naosu-直す | herhalen; iets opnieuw doen |
| narawasu-習わす | (als achtervoegsel aan werkwoorden) gewend [gewoon; gebruikelijk] zijn; altijd doen |
| narihibikaseru-鳴り響かせる | doen [laten] weerklinken [weergalmen; trillen; dreunen] |
| narisumasu-成り済ます | zich voordoen [optreden] als (iemand anders) |
| naritatsu-成り立つ | geldig zijn; standhouden; aan de eisen voldoen |
| naru-為る | dienen voor; dienst doen als |
| nasaru-なさる | (erend werkwoord voor する) doen; maken |
| nasaru-為さる | (dit is een beleefdheidsvariant van het werkwoord suru) doen |
| nebanaranu-ねばならぬ | (=ねばならない) (zou) moeten (doen) |
| nejikomu-捩じ込む | zich beklagen; beklag doen; protesteren |
| nemuraseru-眠らせる | laten slapen; te slapen leggen; doen slapen |
| nemurasu-眠らす | laten slapen; te slapen leggen; doen slapen |
| nemuru-眠る | slapen; een dutje doen |
| nemuru-眠る | de ogen dichtdoen; rusten; stil [inactief; niet levendig] zijn |
| nenne-ねんね | het zich als een baby [klein kind] gedragen; kinderachtig doen |
| nenne-ねんね | (kindertaal) een slaapje [slapie-slapie] doen |
| nenneko-ねんねこ | (kindertaal) een slaapje [slapie-slapie] doen |
| ni-に | (geeft richting, doel of plan aan) naar; aan; in; iets gaan doen |
| nigirigintama-握り金玉 | (arch.) met de handen in de zakken staan (te niksen); nietsdoen |
| ningenwaza-人間業 | mensenwerk; wat mensen kunnen doen; waar mensen toe in staat zijn; wat menselijkerwijs mogelijk is |
| ninjiru-任じる | zich verbeelden; zich voordoen als |
| ninomai-二の舞 | in klassiek Japans theater dezelfde dans van een andere acteur imiteren [nadoen] |
| nonbirisuru-のんびりする | zich op zijn gemak voelen; rustig aan doen; zich ontspannen |
| norakura-のらくら | (onomatopee) langzaam en ontspannen; lekker rustig; nietsdoend |
| norikakaru-乗りかかる (乗り掛かる) | beginnen [aanstalten maken] iets te doen |
| noru-乗る | (gaan) meedoen; deelnemen aan |
| noseru-乗せる | laten meedoen [deelnemen] |
| noshibukuro-熨斗袋 | een mooi gedecoreerde enveloppe [omslag] om geld cadeau te doen |
| nozomu-臨む | bijwonen; aanwezig zijn (bij); meedoen; deelnemen |
| nugu-脱ぐ | zich uitkleden; kleren uitdoen |
| nukeru-抜ける | onzorgvuldig te zijn; niet oplettend te zijn; domme dingen doen |
| nusumu-盗む | in het geheim iets doen; in het geheim trouwen; iem. bedriegen |
| odokeru-戯ける | zich dwaas gedragen; gek doen; grapjes maken |
| odorasu-踊らす | manipuleren; (fig.) aan de touwtjes trekken; iemand laten doen wat je wilt; iemand naar je pijpen laten dansen |
| ohyakudo-お百度 | honderdvoudig gebed (honderd keer heen en weer lopen naar een schrijn en telkens een gebed doen) |
| ōjiru-応じる | voldoen aan; vervullen |
| ōjō-往生 | het (verzet) opgeven; onvermogen (iets te doen); berusting; het geen uitweg meer zien |
| ōju-応需 | het voldoen aan [ingaan op] een vraag [verzoek] |
| okiru-起きる | gebeuren; plaatsvinden; zich voordoen |
| okkabuseru-押っ被せる | iets direct [tegelijk] doen; overlappende handelingen uitvoeren |
| okonau-行う | doen; uitvoeren; toepassen; houden |
| okoru-起こる | plaatsvinden; gebeuren; zich voordoen |
| okuru-送る | (iem.) uitgeleide doen [uitzwaaien] |
| omoiamaru-思い余る | niet meer weten wat te doen; besluiteloos zijn; iets niet meer kunnen volhouden |
| omoiukaberu-思い浮かべる | herinneren; doen denken aan; voor de geest roepen |
| onjin-恩人 | schenker; redder; begunstiger; weldoener |
| ooseru-果せる | er in slagen iets te doen; volbrengen; tot een goed einde brengen |
| oshitsukeru-押し付ける | iem. dwingen iets te doen; iem. zijn wil opleggen |
| osomaki-遅蒔き | het dingen laat [niet op tijd] doen |
| otemori-お手盛り | de dingen doen zoals jezelf het beste uitkomt; ten gunste van jezelf dingen regelen |
| otoru-劣る | slechter [minder] zijn dan; niet zo goed zijn als; niet voldoen aan |
| ou-追う | opjagen; doen vliegen (van vogels e.d.) |
| pasetikku-パセティック | pathetisch; aandoenlijk; meelijwekkend; ontroerend |
| pinboke-ピンぼけ | niet ter zake doend |
| raidō-雷同 | volgzaamheid (zonder zelf na te denken blind navolgen wat anderen doen) |
| rakugo-落伍 | het uitvallen; achterop raken; opgeven; niet meer mee kunnen doen |
| rakushusuru-落手する | een slechte zet doen bij shogi (Japans schaakspel) |
| reizōsuru-冷蔵する | koelen; in de koeling doen [opslaan] |
| ridatsu-離脱 | afscheiding; terugtrekking; onthouding; het afstand doen van |
| rikimu-力む | kracht [druk] uitoefenen op; onder druk zetten; met kracht proberen iets te doen |
| rokku-ロック | slot; op slot doen; afsluiten |
| rokuna-碌な | goed; genoeg; voldoende; bevredigend |
| rokuni-碌に | voldoende; genoeg; behoorlijk; juist; correct (vaak gebruikt met negatie) |
| rokuroku-碌碌 | (met negatie) niet voldoende [genoeg] zijn |
| rokuroku-碌碌 | voldoende [genoeg] zijn |
| rokusuppo-碌すっぽ | voldoende; genoeg; behoorlijk; juist; correct (vaak gebruikt met negatie) |
| ryōkō-良好 | goed [toereikend; voldoende; optimaal; uitstekend] zijn |
| ryūnen-留年 | een schooljaar over moeten doen; blijven zitten; doubleren |
| ryūryū-流流 | manier van doen; werkwijze; methode; stijl |
| sainen-再燃 | het opvlammen; terugkomen; zich opnieuw voordoen; verergering (van ziektesymptomen) |
| sajesuto-サジェスト | een suggestie [voorstel] doen; suggereren; impliceren; aanraden |
| sakui-作為 | namaak; pretentie; doen alsof |
| sakui-作為 | het begaan [bedrijven] (van een misdaad); doen; uitvoeren |
| sanagara-宛ら | zoals; (doen) alsof |
| sankasuru-参加する | deelnemen; meedoen; lid worden (van een groep); inschrijven (voor) |
| sanmai-三昧 | volledige inzet (bij het doen van iets); opgaan in wat men doet |
| sannyūsuru-参入する | meedoen; ingaan |
| sarumawashi-猿回し | een straatartiest die een aap allerlei kunstjes laat doen (vooral op Nieuwjaar) |
| saseru-させる | (iemand) iets laten doen; toestaan |
| saseru-させる | iemand aanzetten [dwingen] om iets te doen |
| sashiageru-差し上げる | optillen; omhoog doen |
| sassuru-察する | meeleven; te doen hebben (met) |
| sasu-さす | (iemand) iets laten doen; toestaan; veroorzaken |
| sasu-指す | shogi (Japans schaken) spelen; een zet doen (bij shogi) |
| sasu-注す | (gedeeltelijk) verven; lakken; inkleuren; opdoen (lippenstift, etc.) |
| satosu-諭す | terechtwijzen; (iem. iets) verwijten; waarschuwen; overtuigen; (iem.) overhalen (om iets te doen) |
| sazameku-さざめく | luidruchtig zijn; onstuimig doen |
| seikansenshō-性感染症 | seksueel overdraagbare aandoening; geslachtsziekte |
| seikōikansenshō-性行為感染症 | seksueel overdraagbare aandoening (soa); geslachtsziekte |
| seiri-整理 | iets van de hand doen; verkopen |
| seishinshikkan-精神疾患 | psychische aandoening |
| seishinshōkai-精神障害 | geestesstoornis; psychische aandoening; geestesziekte |
| seitai-成体 | organisme dat voldoende volgroeid is om zich voort te planten |
| sejōsuru-施錠する | op slot doen; vergrendelen |
| semeotosu-責め落とす | iem. dwingen iets te doen |
| semeru-責める | met volle inzet [uit alle macht] iets doen |
| sennai-詮ない | zinloos; onvermijdelijk; niets aan te doen |
| senshu-先取 | het de eerste zijn [als eerste iets doen]; voorop lopen |
| sentaku-洗濯 | de was (doen); (kleren) wassen |
| sentakusuru-洗濯する | (kleren) wassen; de was doen |
| sentaringu-センタリング | (balsporten) een voorzet doen |
| sessatakuma-切磋琢磨 | toewijding; wederzijdse aanmoediging(en); elkaar stimuleren (om het beter te doen) |
| shidokoro-為所 | geschikt moment [goede gelegenheid] om (iets) te doen |
| shigan-志願 | het iets op eigen initiatief [vrijwillig] doen; zich inschrijven; zijn diensten aanbieden; solliciteren |
| shigansuru-志願する | iets op eigen initiatief [vrijwillig] doen; zich inschrijven; zijn diensten aanbieden; solliciteren |
| shiharaifunō-支払い不能 | insolventie (onvermogen om aan een betalingsverplichting te voldoen) |
| shiharainōryoku-支払い能力 | solvabiliteit; vermogen om aan betalingsverplichtingen te voldoen |
| shiharau-支払う | betalen; voldoen; uitbetalen; uitkeren |
| shiishii-為い為い | terwijl doende; bij herhaling doen |
| shiisosan-尸位素餐 | er de kantjes aflopen; niet alles doen waar men wel voor wordt betaald |
| shikaeshi-仕返し | hervatting; het opnieuw beginnen; het iets opnieuw doen |
| shikata-仕方 | manier van doen; handelwijze |
| shikataganai-仕方がない | er is niets aan te doen; het helpt niets; het is onvermijdelijk |
| shikatanai-仕方ない | er is niets aan te doen; het helpt niets; het is onvermijdelijk |
| shikinbusoku-資金不足 | onvoldoende (monetaire) middelen; gebrek aan fondsen [geld; kapitaal] |
| shikkan-疾患 | ziekte; aandoening; kwaal; stoornis |
| shikōsakugosuru-試行錯誤する | iets proberen en falen; iets doen dat niet lukt |
| shimeru-閉める | dichtdoen; dicht maken; sluiten; beëindigen |
| shimogaredoki-霜枯れ時 | een slappe tijd voor zakendoen (aan het eind van het jaar) |
| shinaosu-為直す | opnieuw doen; overdoen |
| shinkeishō-神経症 | neurose; zenuwaandoening |
| shinkekkanshikkan-心血管疾患 | cardiovasculaire aandoeningen; hart- en vaatziekten |
| shinkui-身口意 | (in Boeddhisme) een woord voor het menselijk handelen, n.l. doen, spreken en denken (lett. lichaam, mond en geest) |
| shinobinai-忍びない | het niet kunnen opbrengen om; met tegenzin iets doen; (iets) niet kunnen verdragen |
| shinryakusuru-侵略する | binnenvallen; een inval doen; binnendringen |
| shinseisuru-申請する | aanvragen; een aanvraag doen |
| shinshitsukan-心疾患 | hartaandoening |
| shinzōbyō-心臓病 | hartziekte; hartaandoening |
| shinzōshinkeishō-心臓神経症 | hartneurose; neurotische hartaandoening |
| shippei-疾病 | ziekte; aandoening; kwaal |
| shirankao-知らん顔 | een (geveinsd] onschuldig gezicht); het voordoen alsof je iets niet weet |
| shirizoku-退く | achteruitgaan; teruggaan; een stap terug doen |
| shitsu-疾 | (in kanji combinaties) ziekte; kwaal; aandoening |
| shitsumusuru-執務する | (officiële) functie [taken] uitoefenen; een ambt vervullen; zijn werk doen |
| shiyōganai-仕様が無い | het is wat het is; er is niets aan te doen |
| shizumeru-沈める | doen zinken; verzinken; tot zinken brengen |
| shobun-処分 | het afstand doen [zich ontdoen] van; (uit)verkopen; opruimen; weggooien; verwijderen |
| shōchi-勝地 | geschikte plek [locatie] om iets te doen |
| shodan-処断 | vonnis; het vellen van een oordeel; een uitspraak doen |
| shōdō-衝動 | aanzetting [aansporing] (aan iemand om iets te doen) |
| shōgaisupōtsu-生涯スポーツ | levenslang sporten; sport die je altijd kan doen (ongeacht leeftijd) voor de gezondheid en recreatie |
| shōgaku-奨学 | aanmoediging te studeren [onderzoek te doen] |
| shōhō-商法 | hoe zaken te doen; zakelijke praktijk |
| shōki-商機 | zakelijke kans; (goede) kans om zaken te doen |
| shokkuhai-ショック肺 | shocklong (longaandoening) |
| shokuzai-贖罪 | boetedoening |
| shoppingu-ショッピング | het winkelen; boodschappen doen |
| shōsuru-称する | zich voordoen als; pretenderen |
| shozainai-所在ない | zich vervelen; niets te doen hebben |
| shutsugan-出願 | (het doen van) een aanvraag |
| sokonau-損なう | (gekoppeld achter andere werkwoorden) niet voor elkaar krijgen; niet goed doen |
| sokoneru-損ねる | (gekoppeld achter andere werkwoorden) niet voor elkaar krijgen; niet goed doen |
| someiyoshino-染井吉野 | Yoshino kersenboom (Prunus yedoensis) |
| sorame-空目 | net doen alsof je iets niet ziet; een oogje dichtdoen |
| soramimi-空耳 | net doen alsof je iets niet hoort; Oost-Indisch doof |
| sorane-空寝 | net doen alsof je slaapt; zich slapende houden |
| soraneiri-空寝入り | net doen alsof je slaapt; zich slapende houden |
| soratobokeru-空惚ける | zich van de domme houden; net doen alsof je het niet weet |
| suezen-据え膳 | anderen laten werken en zelf niets doen |
| sugosu-過ごす | te veel doen; te ver gaan (met) |
| suitchi・torēdo-スイッチ・トレード | handelswijze waarbij het ene bedrijf zijn verplichting om een aankoop te doen in een bepaald land aan een ander bedrijf verkoopt |
| sukunai-少ない | weinig; gering; kleine hoeveelheid; schaars; onvoldoende; zelden |
| suru-する | doen; spelen; opvoeren; optreden; acteren; handelen |
| susabu-荒ぶ | doen wat men wil; zijn gang gaan; zich amuseren |
| susamu-荒む | doen wat men wil; zijn gang gaan; zich amuseren |
| susugu-濯ぐ | (雪ぐ) zich ontdoen van een smet [schandvlek; vernedering] |
| suteru-捨てる | afdanken; afzweren; afstand doen (van); opgeven; loslaten (fig.) |
| suttobokeru-すっ惚ける | doen alsof je van niets weet; onwetendheid veinzen |
| tabaneru-束ねる | (samen)bundelen; bij elkaar binden; (het haar) in een staart doen |
| taburakasu-誑かす | bedriegen; oplichten; iem. verleiden (om iets te doen) |
| tadasu-糾す | onderzoeken; een onderzoek doen naar; controleren (van feiten, b.v.) |
| tadasu-質す | vragen; navraag doen; informeren naar |
| taihojutsu-逮捕術 | arrestatietechniek voor politie (om iemand die zich verzet tegen arrestatie de handboeien aan te doen) |
| taimingu-タイミング | timing (op het juiste moment doen) |
| takaburu-高ぶる | zich hooghartig [bazig; trots] gedragen; uit de hoogte doen |
| tamushi-田虫 | ringworm (huidaandoening: tinea corporis) |
| tanbō-探訪 | veldwerk; (journalistiek) onderzoek [navraag] doen (ter plaatse) |
| tanukineiri-狸寝入り | net doen alsof je slaapt; zich slapende houden |
| tari-たり | (achtervoegsel) nu eens dit doen, dan weer dat doen |
| tariru-足りる | voldoende [genoeg] zijn; de moeite waard zijn |
| taru-足る | voldoen; voldoende [genoeg] zijn |
| taru-足る | dienen; doen; uitvoeren |
| tasseikan-達成感 | voldaan gevoel; gevoel van voldoening; gevoel succes [iets bereikt] te hebben |
| tasu-足す | doen; handelen |
| tawakeru-戯ける | zich dwaas gedragen; gek doen; grapjes maken |
| tayō-多用 | het druk hebben; veel dingen te doen hebben |
| tazusaeru-携える | samen handelen [iets doen]; (fig.) de handen ineenslaan |
| tazusawaru-携わる | verwikkelen; (erbij) betrekken; zich bezighouden met; meedoen |
| tebanashi-手放し | (iets doen) zonder handen |
| tebanasu-手放す | laten gaan; loslaten; afstand doen van; opgeven; van de hand doen |
| tebentō-手弁当 | vrijwilligerswerk doen; werken zonder betaling |
| tekagen-手加減 | op basis van ervaring dingen (kunnen) doen; bekwaamheid |
| tekozuru-手子摺る | het moeilijk hebben; in de problemen zitten; niet weten hoe te doen |
| temochibusata-手持ち無沙汰 | niets te doen hebben; niets om handen hebben; zich vervelen |
| temori-手盛り | de dingen doen zoals jezelf het beste uitkomt; ten gunste van jezelf dingen regelen |
| tenaishoku-手内職 | thuiswerk (doen); handwerk thuis verrichten |
| tentō-点灯 | het aandoen [inschakelen] van licht [lampen] (b.v. van autolampen) |
| tobiiri-飛び入り | het inspringen; op het laatste moment [onverwacht] meedoen |
| tobikosu-飛び越す | over (heen) springen; bokspringen; haasje-over doen |
| tobitsuku-飛びつく | op (iemand of iets) afspringen; een uitval [duik] doen (naar) |
| tobokeru-惚ける | onwetenheid veinzen; doen alsof je iets niet weet |
| tobokeru-惚ける | dwaas [gek; grappig] doen |
| tochū-途中 | onderweg; al doende; halverwege |
| toiawaseru-問い合わせる | informeren (naar); navraag doen; inlichtingen inwinnen |
| tojimari-戸締まり | (af)sluiting; vergrendeling; het sluiten; op slot doen |
| tojiru-閉じる | sluiten; dichtdoen; afsluiten |
| tokui-得意 | voldoening; tevredenheid (over de eigen prestaties) |
| tōnyū-投入 | het (iets ergens) indoen; insteken; ingooien; inbrengen |
| torihakarau-取り計らう | weloverwogen iets doen; eerst denken en dan doen |
| torihikisuru-取り引きする | handelen met; zaken doen |
| torikakaru-取りかかる | beginnen; starten; gaan doen; aan het werk gaan |
| torimatomeru-取り纏める | verzamelen; bij elkaar doen |
| torimazeru-取り混ぜる | (ver)mengen; mixen; bij elkaar doen |
| torinaosu-取り直す | (bij sumo) de partij [het gevecht] overdoen |
| torinaosu-取り直す | opnieuw vastpakken; overdoen; hergroeperen |
| torinasu-取り成す | bemiddelen; tussenbeide komen; een goed woordje doen (voor iemand) |
| torisumasu-取り澄ます | zich onbezorgd [zelfverzekerd] voordoen; zich een zelfverzekerde houding geven |
| toritsugi-取り次ぎ | ontvangst; (de deur) opendoen; bezoek binnenlaten |
| toritsugu-取り次ぐ | gasten ontvangen; de deur opendoen; de telefoon aannemen |
| toritsuku-取り付く | gaan doen |
| toru-執る | doen; uitvoeren; zich inzetten voor; het bevel [de leiding] nemen |
| toshoku-徒食 | lui [leeg] leven (zonder iets nuttigs te doen) |
| toyomosu-響もす | doen [laten] weerklinken [weergalmen; trillen; dreunen] |
| tsugumu-噤む | zwijgen; stil zijn; het zwijgen ertoe doen; je mond (dicht)houden; zich stil houden |
| tsugunau-償う | boete doen |
| tsuinō-追納 | (het doen van) een extra betaling [storting] |
| tsukai-使い | boodschap doen [overbrengen] |
| tsukamatsuru-仕る | (een nederig, beleefd woord voor) (zullen) doen; dienen; van dienst zijn |
| tsukegeiki-付け景気 | het voorwenden [doen voorkomen] dat de economie goed is |
| tsukeru-付ける | aandoen |
| tsukeru-点ける | aandoen; inschakelen; aansteken |
| tsukuru-作る | doen; handelen; verrichten |
| tsumihoroboshi-罪滅ぼし | boetedoening; verzoening |
| tsumori-積もり | bedoeling (om iets te doen); doel; motivatie; plan |
| tsutomeru-努める | pogen; wagen; zich inzetten (voor); zijn best doen; zich toeleggen op |
| tsuyogaru-強がる | stoer doen |
| uchichigaeru-打ち違える | verkeerd doen; een fout maken; zich vergissen |
| ugatsu-穿つ | (arch.) kleding aandoen |
| undōsuru-運動する | bewegen; sporten; oefenen; oefeningen doen |
| uraguchi-裏口 | (fig.) achterdeur; illegaal binnenkomen; op frauduleuze wijze doen; toegang (tot universiteit, bedrijf, e.d.) zonder te voldoen aan toelatingseisen |
| urouro-うろうろ | (geagiteerd) heen en weer [op en neer] lopen zonder te weten wat te doen; ijsberen |
| ushinotokimairi-丑の時参り | bezoek aan een heiligdom (om ca. 2 uur in de ochtend) om een vervloeking te doen door een effigie (strooien pop) van iemand aan een boom te spijkeren |
| utoutosuru-うとうとする | (onomatopee) (weg) dutten; soezen; (in) dommelen; een hazenslaapje doen; sluimeren |
| wabigoto-詫び言 | verontschuldiging; excuses; boetedoening |
| wansutoppu・shoppingu-ワンストップ・ショッピング | koopgedrag waarbij consumenten tegelijkertijd boodschappen en andere diensten doen op één locatie |
| waraisazameku-笑いさざめく | vrolijk lachen; vrolijk lachend iets doen |
| waruburu-悪ぶる | zich (ten onrechte) voordoen [gedragen] als een schurk [slechterik] |
| warunori-悪乗り | overdrijven (met woorden of daden); te ver gaan; teveel vergen van; te veel [vaak] gebruiken [doen |
| wazawaisuru-災いする | problemen veroorzaken; slecht invloed hebben; kwaad doen |
| yamai-病 | ziekte; aandoening; kwaal |
| yamikumo-闇雲 | iets doen zonder erover na te denken over de consequenties; onnadenkendheid; roekeloosheid; willekeur |
| yannurukana-已んぬるかな | alles is afgelopen; dit is het einde; er is niets meer aan te doen |
| yaridasu-遣り出す | beginnen (te doen) |
| yarikaesu-遣り返す | opnieuw doen; nogmaals doen; overdoen |
| yarikata-遣り方 | handelwijze; manier van doen |
| yarikireru-遣り切れる | kunnen doen; voor elkaar krijgen |
| yarikonasu-遣り熟す | iets (goed) kunnen (doen); voor elkaar krijgen |
| yarikuchi-遣り口 | manier (van doen); handigheid; truc |
| yarinaosu-遣り直す | opnieuw [weer] doen; overdoen; opnieuw beginnen |
| yaru-遣る | doen; handelen; bedienen; maken |
| yasuukeaisuru-安請け合いする | lichtvaardig [overhaast] een belofte doen (die men niet kan nakomen) |
| yobikakeru-呼びかける | uitroepen; aanroepen; een oproep doen |
| yochi-余地 | (speel)ruimte (om iets te doen); bewegingsvrijheid |
| yōdai-容態 | (medische) aandoening [kwaal]; lichamelijke gesteldheid [conditie] |
| yohodo-余程 | veel; heel wat; in grote mate; genoeg; voldoende |
| yōin-要員 | noodzakelijk personeel (om iets te kunnen doen of te volbrengen) |
| yokodori-横取り | het (zijdelings) weggrijpen; wegpakken van iemands goederen of kennis (en die als eigen bevindingen doen voorkomen, b.v. in een werksituatie) |
| yokusuru-善くする | goed doen; vaak doen; kunnen doen; goed zorgen voor |
| yokutokuzuku-欲得ずく | dingen te doen uit eigenbelang; berekenend zijn |
| yōnisuru-ようにする | proberen; het zo doen; ervoor zorgen dat |
| yoppodo-余っ程 | veel; heel wat; in grote mate; genoeg; voldoende |
| yorokobi-喜び | blijdschap; vreugde, genoegen; plezier; voldoening; vervoering; extase |
| yoru-因る | methoden [middelen] gebruiken voor; een beroep doen op |
| yōryō-要領 | leerpunt; leerproces; manier [truc; tips] om dingen goed te doen |
| yosoou-装う | (zich) voordoen (als); simuleren; veinzen; pretenderen |
| yōtashi-用足し | toiletbezoek; zijn behoefte doen |
| yōtashi-用足し | het boodschappen doen |
| you-良う | goed; voldoende; bekwaam |
| yubikiri-指切り | elkaar een belofte [eed] doen met in elkaar gehaakte [gestrengelde] pinken |
| yudaki-湯炊き | rijst koken door het direct in kokend water te doen |
| yūtai-勇退 | zich terugtrekken; vrijwillig zijn baan opzeggen; een stap terug doen; vrijwillige pensioenering |
| yūtaisuru-勇退する | zich terugtrekken; vrijwillig zijn baan opzeggen; een stap terug doen; vrijwillig met pensioen gaan |
| yūyū-悠悠 | ruim [voldoende] zijn |
| zanmai-三昧 | volledige inzet (bij het doen van iets); opgaan in wat men doet |
| zashi-座視 | het onbezorgd [lui; onverschillig; werkeloos] toekijken (zonder iets te doen) |
| zashoku-座食 | leven in ledigheid; nietsdoen; eten zonder ervoor te werken |
| zenkai-全開 | het volledig openen [opendoen] |
| zenkaisuru-全開する | helemaal [wijd] openen [opendoen] |
| zensho-善処 | passende maatregelen; het beste (doen); de beste manier |
| zenshu-善趣 | (Boeddh) een goede wereld, d.w.z. van de goden of van de mensen (door goede daden te doen in dit leven kan men na de dood in zo'n goede wereld worden |
| zōhibyō-象皮病 | elefantiasis (huidaandoening) |
| zome-初め | (voorvoegsel bij een werkwoord) iets voor de eerste keer doen |
| zukeru-付ける | (achtervoegsel) drukt uit de intentie om iets te doen |
| zukkokeru-ずっこける | zichzelf belachelijk maken; domme dingen doen |
| zuku-ずく | (achtervoegsel) drukt de intentie uit (om iets te doen) |
| zuni-ずに | (achtervoegsel) zonder te; niet doende |
| zuniwairarenai-ずにはいられない | niet kunnen onderdrukken; niets aan kunnen doen; wel moeten |
| zurukeru-ずるける | niet veel doen; de kantjes eraf lopen; spijbelen; lui zijn |
| zushite-ずして | (werkwoordsuitgang -zu + shite) zonder ... te doen [zijn] |