Kruisverwijzing
moe
| lemma | meaning |
|---|---|
| aegu-喘ぐ | lijden; te lijden hebben; het moeilijk hebben |
| agaki-足掻き | het worstelen (b.v om uit een moeilijke situatie te komen) |
| agumu-倦む | het moe [zat] worden; interesse verliezen; er genoeg van hebben; er geen zin meer in hebben |
| aguneru-倦ねる | iets moe worden [zat zijn]; interesse verliezen; teveel zijn voor (iemand); buiten iemands controle liggen; niet weten wat te doen |
| ahōbarai-阿呆払い | een straf voor een samoerai in de Edo periode: zijn 2 zwaarden werden afgepakt (of hij werd uitgekleed), waarna hij werd verjaagd |
| ai-隘 | (in kanji combinaties) smal; moeilijk |
| aibiki-逢い引き | geheime ontmoeting; rendez-voua |
| aikokushin-愛国心 | liefde voor het vader- [moeder-] land; patriottisme |
| aimamieru-相見える | oog in oog staan met; (recht) tegenover staan; tegemoet treden |
| akaseru-飽かせる | iemand vervelen [vermoeien] |
| akasu-飽かす | iemand afmatten [vermoeien; vervelen] |
| akasu-飽かす | tijd noch moeite sparen; veel tijd besteden aan |
| akazu-飽かず | onvermoeibaar; nooit genoeg van krijgen; nooit vervelen |
| aku-悪 | armoedig [armzalig]; van slechte [inferieure] kwaliteit |
| aku-飽く | ergens genoeg van hebben; het zat worden; er moe [ziek] van worden |
| akui-悪衣 | eenvoudige [armoedige] kleding |
| akuinakka-悪因悪果 | (boeddh.) slechte daden, slechte gevolgen; die kwaad doet, kwaad ontmoet |
| akunaki-飽くなき | onverzadigbaar; onvermoeibaar; volhardend |
| akuro-悪路 | een slechte weg; een moeilijk begaanbare weg |
| akusenkutō-悪戦苦闘 | een verwoed [wanhopig] gevecht met de rug tegen de muur (tegen een sterke tegenstander); een zware strijd onder moeilijke omstandigheden |
| amarugamu-アマルガム | mengsel; mengelmoes |
| amēba-アメーバ | amoebe |
| amība-アミーバ | amoebe |
| ando-安堵 | erkenning van het recht op grondbezit van een samoerai (door een shogun of een feodale heer) |
| anjinryūmei-安心立命 | gemoedsrust; berusting; spirituele vrede en verlichting |
| ankokujidai-暗黒時代 | een donkere [moeilijke; zware] tijd [periode] |
| annaisuru-案内する | (iem.) de weg wijzen; rondleiden; uitnodigen; te zien vragen (voor iem. anders); bemiddelen voor een ontmoeting; mededelen; laten weten |
| anshin-安心 | kalmte; gemoedsrust; vredigheid |
| anshinkan-安心感 | gemoedsrust; veilig gevoel; gevoel van veiligheid |
| anshinritsumei-安心立命 | gemoedsrust; berusting; spirituele vrede en verlichting |
| anshū-暗愁 | zwaarmoedigheid; triestheid |
| antan-暗澹 | zwaarmoedig; mistroostig; droefgeestig |
| an'utsu-暗鬱 | somberheid; zwaarmoedigheid; melancholie |
| arai-荒い | moeilijk; zwaar |
| arakabe-粗壁 | een muur die (na de eerste laag) nogmaals geschilderd moet worden |
| ariyō-有り様 | waarheid; ideale situatie; hoe het zou moeten zijn |
| arubeki-有るべき | zou (zo) moeten zijn; wenselijk [de bedoeling] zijn |
| asagao-朝顔 | dagbloem; blauwe winde (Japanse Morning Glory; Ipomoea nil) |
| ashigaru-足軽 | een samoerai met een lage rang; voetsoldaat |
| ashinuki-足抜き | ontsnapping uit een moeilijke [penibele] situatie |
| assen-斡旋 | het moeite doen voor iem.; iem. van dienst zijn |
| ataru-当たる | confronteren; het hoofd bieden (aan); tegemoet treden |
| atedo-当て所 | de plaats waarop je mikt [moet mikken]; waarop je je richt [moet richten] |
| au-会う | elkaar ontmoeten [zien] |
| au-会う | een onaangename [onwelkome] ontmoeting hebben; iets onaangenaams tegenkomen |
| awasu-会わす | laten ontmoeten |
| ayumiyoru-歩み寄る | een compromis sluiten; halfweg tegemoet komen |
| aza-痣 | geboortevlek; moedervlek; blauwe plek |
| azumaebisu-東夷 | ruige krijger [samoerai] uit Oost-Japan |
| ba-ば | (in de combinatie: ...nakereba naranai) moeten |
| baasan-婆さん | oude vrouw; grootmoeder |
| bainiku-梅肉 | het vruchtvlees [de moes; de pulp] van umeboshi (ingemaakte pruimen) |
| bakkaku-麦角 | moederkoren (ziekte in granen) |
| bannan-万難 | ontelbare moeilijkheden [hindernissen] |
| banshō-万障 | alle hindernissen [obstakels; moeilijkheden] |
| ban'yū-蛮勇 | roekeloosheid; onverschrokkenheid; overmoed |
| bappai-罰杯 | alcoholische drank die als straf moet worden gedronken (b.v. voor te laat komen, een spelletje verliezen, e.d.) |
| bateru-ばてる | verslappen; slap [moe] worden |
| baute-場打て | je ergens terneergeslagen [ontmoedigd] voelen |
| beddo・hausu-ベッド・ハウス | logement; eenvoudig [armoedig] hotel |
| bekarazu-べからず | moet [kan] niet doen; zou niet moeten doen |
| bentatsu-鞭撻 | aanmoediging; aansporing |
| bianko・sanjovanni-ビアンコ・サンジョヴァンニ | bianco di San Giovanni (een limoen wit pigment) |
| binbō-貧乏 | armoede |
| binbōgami-貧乏神 | god van de armoede [van de arme mensen] |
| bo-母 | (in kanji combinaties) moeder |
| bodō-母堂 | (beleefde term voor) de moeder van iemand anders; uw [zijn; haar] moeder |
| bogo-母語 | moedertaal; eerste taal |
| bogowasha-母語話者 | moedertaalspreker; native speaker |
| bohan-母斑 | moedervlek; geboortevlek |
| bokoku-母国 | thuisland; moederland |
| bokokugo-母国語 | moedertaal; eerste taal |
| bontan-文旦 | pompelmoes |
| bonyū-母乳 | moedermelk |
| bōoku-茅屋 | een armoedig huis; (een nederige term voor) mijn huis |
| bosei-母性 | moederschap |
| boseiai-母性愛 | moederliefde |
| boshi-母子 | moeder en kind |
| buhen-武辺 | krijgshaftigheid; (militaire) moed; dappere strijder |
| buke-武家 | krijgsadel; krijgselite; samoerai clan [familie] |
| bumon-武門 | familie [clan] van krijgslieden [strijders; samoerai] |
| bushi-武士 | samoerai |
| bushidō-武士道 | de samoerai erecode |
| chi-乳 | (moeder)melk |
| chi-値 | ontmoeten |
| chichi-乳 | (moeder)melk |
| chiguu-値遇 | ontmoeting |
| chikaraotoshi-力落とし | de moed [kracht; energie] verliezen |
| chikarazukeru-力づける | iem. aanmoedigen [stimuleren; inspireren; opvrolijken] |
| chin'utsu-沈鬱 | somberheid; zwaarmoedigheid; depressie; melancholie |
| chishō-池沼 | vijver [meertje] en moeras |
| chokumen-直面 | confrontatie; treffen; tegemoet treden; onder ogen zien |
| chōsen-挑戦 | moeilijke test [opdracht] |
| choshi-楮紙 | een soort Japans papier (washi) gemaakt van de vezels uit de schors van de papiermoerbeiboom |
| chototsu-猪突 | roekeloosheid; overmoedigheid; onbezonnenheid; onbesuisdheid |
| chūijinbutsu-注意人物 | verdachte; verdacht persoon; persoon die in de gaten moet worden gehouden |
| daigi-台木 | boomstam; moederstam; onderstam; boomstronk |
| dairikaitai-代理懐胎 | draagmoederschap; surrogaat zwangerschap |
| daishizen-大自然 | de natuur; Moeder Natuur |
| daitan-大胆 | moed; durf; lef |
| daitansa-大胆さ | stoutmoedigheid; dapperheid; moed; vermetelheid |
| dappan-脱藩 | het verlaten van een clan door een samoerai (die daarna een rōnin (samoerai zonder heer) werd) |
| darasu-だらす | (vorm van het werkwoord daru) uitputten; vermoeien; afmatten |
| darō-だろう | (informele vorm van het werkwoord 'zijn'; drukt veronderstelling of vermoeden uit) zal (waarschijnlijk) (zo) zijn (dat) |
| daru-だる | moe zijn; vermoeid [uitgeput] zijn [worden; raken] |
| deai-出会い | ontmoeting |
| dearō-であろう | (vorm van het werkwoord 'zijn'; drukt veronderstelling of vermoeden uit) zal (waarschijnlijk) (zo) zijn (dat) |
| deau-出会う | (iemand; elkaar) tegenkomen; ontmoeten; treffen |
| dekuwasu-出くわす | (iemand; elkaar) tegenkomen; ontmoeten; treffen |
| demukae-出迎え | ontmoeting; ontvangst; begroeting |
| demukaeru-出迎える | ontmoeten; (gaan) begroeten; (iem.) afhalen; verwelkomen |
| deshabaru-出しゃばる | binnendringen; zich bemoeien (met); interrumperen; tussen beiden komen |
| deshō-でしょう | misschien; waarschijnlijk; vermoedelijk; het ziet er naar uit dat; het lijkt wel of; naar men zegt |
| dokonjō-ど根性 | enorme durf [moed; lef] |
| dokudami-毒だみ | moerasanemoon (Houttuynia cordata) |
| dokyō-度胸 | moed; dapperheid; lef; durf |
| doryō-度量 | grootmoedigheid, ruimhartigheid, tolerantie, generositeit, vrijgevigheid |
| doryoku-努力 | poging; inspanning; moeite; streven |
| doryokusuru-努力する | zich inspannen; pogen; hard werken; zich moeite getroosten |
| eiei-営営 | ijverig [gretig; onvermoeibaar] zijn |
| erai-偉い | verschrikkelijk; afschuwelijk; zwaar; moeilijk |
| esagashi-絵探し | een spel waarbij men in een afbeelding [tekening; zoekplaatje] voorwerpen moet zoeken |
| eshajōri-会者定離 | (boeddh.) alle ontmoetingen eindigen in een afscheid; die elkaar ontmoeten, zijn voorbestemd om weer te scheiden |
| fu-腑 | binnenste; kern; gemoed |
| fubin-不憫 | armzaligheid; armoedigheid |
| fubo-父母 | vader en moeder; ouders |
| fubon-不犯 | strikte naleving van het voorschrift dat boeddhistische monniken kuis moeten leven |
| fūfū-ふうふう | (onomatopee) geworstel; met moeite (iets doen) |
| fukaamigasa-深編み笠 | gevlochten kegelvormig hoofddeksel (dat deels het gezicht verborg, en werd gedragen door samoerai en komuso) |
| fukimawashi-吹き回し | veranderende gemoedsstemming |
| fumie-踏み絵 | een christelijke afbeelding, waar men op moest lopen om te bewijzen geen aanhanger te zijn van het verboden christelijke geloof (Edo-periode) |
| fumikiri-踏み切り | (fig.) het een sprong wagen; een moedige [gedurfde] beslissing nemen |
| fumikiru-踏み切る | (fig.) een sprong wagen; een moedige [gedurfde] beslissing nemen |
| fumikomu-踏み込む | zich bemoeien met |
| funpatsu-奮発 | zware inspanning [moeite] |
| furikaekyūjitsu-振替休日 | een toegewezen vrije dag (als men op de standaard vrije dag naar school of werk moet) |
| furikomerareru-降り籠められる | binnen moeten blijven omdat het regent [sneeuwt] |
| furokyan-風呂キャン | het niet in bad gaan (vanwege vermoeidheid, tijdgebrek, e.d.) |
| furokyan-風呂キャン | iemand die niet in bad gaat (vanwege vermoeidheid, tijdgebrek, e.d.) |
| furutte-奮って | energiek; moedig; ijverig; gewillig; van harte |
| fushinsuru-腐心する | zijn uiterste best doen; alle moeite doen; zich veel inspanningen getroosten |
| fushōfuzui-夫唱婦随 | (de opvatting:) een vrouw moet haar man gehoorzamen [moet doen wat haar man vraagt] |
| futeki-不敵 | (buitengewone) moed [dapperheid] |
| futoppara-太っ腹 | gul; vrijgevig; grootmoedig; ruimdenkend |
| gaiseki-外戚 | familielid van moederszijde [moederskant] |
| gakkari-がっかり | teleurgesteld; ontmoedigd; triest |
| gakkarisuru-がっかりする | teleurgesteld [ontmoedigd; triest] worden |
| gakkuri-がっくり | teleurgesteld; ontmoedigd |
| ganbatte-頑張って | (aanmoediging) doe je best; zet 'm op |
| ganseihirō-眼精疲労 | vermoeidheid van de ogen |
| garyō-雅量 | grootmoedigheid; edelmoedigheid; ruimdenkendheid; tolerantie |
| gatai-難い | (gebruikt als suffix) moeilijk (te doen) zijn |
| gayagaya-がやがや | (onomatopee) luidruchtig; rumoerig; geroezemoes; geklets; gelach |
| geigekiki-迎撃機 | jachtvliegtuig (dat vijandelijke projectielen moet onderscheppen) |
| gekirei-激励 | aanmoediging; aansporing |
| genkizukeru-元気付ける | bemoedigen; opvrolijken |
| getsuyōbyō-月曜病 | maandagziekte (moeite om na het vrije weekend weer aan het werk te gaan) |
| gibo-義母 | schoonmoeder |
| gibo-義母 | pleegmoeder; stiefmoeder; adoptiemoeder |
| giretsu-義烈 | heldhaftigheid; heldenmoed; sterk rechtvaardigheidsgevoel |
| gōfuku-剛腹 | gulheid; grootmoedigheid; vrijgevigheid |
| gōgan-傲岸 | arrogantie; verwaandheid; hoogmoed |
| gogatsubyō-五月病 | voorjaarsmoeheid; depressie in mei (m.n. na een nieuwe baan of opleiding, die in april is gestart) |
| gogatsuningyō-五月人形 | een (samoerai) pop die wordt uitgestald in mei ter gelegenheid van het kinderfestival van jongens |
| gōhō-豪放 | stoutmoedigheid |
| gōketsu-豪傑 | een uitzonderlijk dappere [moedige; heldhaftige] persoon |
| gokigen-御機嫌 | (beleefde term voor) humeur; stemming; gemoedstoestand |
| gokigenyō-御機嫌よう | (begroeting bij een ontmoeting of afscheid) hallo; hoe gaat het?; tot ziens; tot kijk; groetjes; succes! |
| gokuhin-極貧 | bittere armoede; ontbering(en); behoeftigheid; nooddruft |
| gōman-傲慢 | hoogmoed; arrogantie; trots |
| gōmanburei-傲慢無礼 | onbeschaamdheid; hoogmoed; brutaliteit |
| goneru-ごねる | klagen; moeilijk doen over; een probleem maken van |
| gōnomono-剛の者 | dappere [stoutmoedige] persoon [krijger]; veteraan |
| gosokurō-御足労 | (een respectvol woord gebruikt voor iemand die komt of gaat) de moeite nemen om te komen [gaan] |
| gotamaze-ごたまぜ | mengelmoes; ratjetoe |
| gurūmī-グルーミー | somber; mistroostig; naargeestig; zwaarmoedig; duister |
| gyōmei-驍名 | een heldhaftige reputatie; beroemd om (zijn/haar) heldenmoed [heldhaftigheid] |
| habakarisama-憚り様 | bedankt voor de moeite, maar ... |
| hachiawase-鉢合わせ | plotselinge ontmoeting |
| hachimaki-鉢巻き | hoofdband; voorhoofdsband (een reep stof om het voorhoofd geknoopt, vaak als symbool van inspanning en moed) |
| hagemasu-励ます | iemand aanmoedigen [bemoedigen] |
| haha-母 | moeder; mijn moeder |
| hahako-母子 | moeder en kind |
| hahanohi-母の日 | Moederdag (2de zondag in mei) |
| hahaoya-母親 | moeder |
| hahaue-母上 | (erende term voor) moeder |
| haiagaru-這い上がる | (fig.) eruit klimmen; jezelf herpakken; jezelf bevrijden uit een moeilijke situatie |
| haibi-拝眉 | (een nederig woord voor) ontmoeting |
| haisatsu-拝察 | (beleefd, nederig taalgebruik) vermoeden; veronderstelling |
| hakaru-計る | schatten; vermoeden; speculeren |
| hamaogi-浜荻 | prachtriet [Amoer-zilvergras] dat langs het strand groeit |
| hanajiromu-鼻白む | ontmoedigd [beschaamd] kijken; teleurgesteld zijn |
| hanzatsu-繁雑 | ingewikkeld [moeilijk; gecompliceerd] zijn |
| hara-腹 | gemoed; gevoel; inborst; geest |
| harachigai-腹違い | halfzus of halfbroer; (kinderen) van verschillende moeders |
| haruta-春田 | een lente rijstveld (een veld waar de oude rijst al geoogst is en de nieuwe rijst nog geplant moet worden) |
| hatasashimono-旗指物 | een kleine standaard met vlag, die vroeger door Japanse samoerai op de achterkant van het harnas werd gedragen tijdens het gevecht |
| hatsukaoawase-初顔合わせ | eerste ontmoeting; eerste treffen |
| hayakuchikotoba-早口言葉 | moeilijk uit te spreken woord [zin] |
| hazu-筈 | zou moeten [behoren]; moeten |
| hazumu-弾む | gestimuleerd [bemoedigd; aangespoord; opgevrolijkt] worden |
| hebaru-へばる | uitgeput [afgemat; doodmoe; uitgeteld] zijn |
| hebī-ヘビー | ernstig; hevig; moeilijk |
| hekomu-凹む | bezwijken; toegeven; de moed verliezen; gedeprimeerd worden |
| henpi-辺鄙 | een afgelegen [moeilijk bereikbare] plaats |
| hesomagari-臍曲がり | dwars [tegendraads; moeilijk in de omgang] zijn |
| hetoheto-へとへと | (volledig) uitgeput; doodmoe |
| hibyōin-避病院 | ziekenhuis voor patiënten met een besmettelijke ziekte (die in quarantaine moeten blijven); pesthuis |
| hikitateru-引き立てる | aanmoedigen; steunen; propageren; stimuleren |
| hikkei-必携 | iets dat onmisbaar [essentieel] is; iets dat je moet hebben |
| hikken-必見 | iets dat je gezien moet hebben |
| hinjaku-貧弱 | arm [armoedig; schamel; inferieur] zijn |
| hinketsu-貧血 | anemie; bloedarmoede |
| hinkon-貧困 | armoede |
| hinkonsen-貧困線 | armoedegrens; bestaansminimum |
| hinku-貧苦 | bittere armoede |
| hinokuruma-火の車 | moeilijke (financiële) omstandigheden |
| hinpu-貧富 | armoede en rijkdom; arm en rijk |
| hirō-疲労 | vermoeidheid; moeheid |
| hishageru-拉げる | ontmoedigd worden |
| hitatare-直垂 | traditionele Japanse kleding (oorspronkelijk de werkkleding van het gewone volk, later, vanaf de Muromachi periode, gedragen door de samoerai) |
| hitoanshin-一安心 | gevoel van opluchting; gemoedsrust |
| hitokurō-一苦労 | moeilijke tijd; het moeilijk hebben |
| hitoyama-一山 | opstakel; moeilijke situatie |
| hodokoshimono-施し物 | aalmoes |
| hogeibosen-捕鯨母船 | grote walvisvaarder; moederschip bij de walvisvangst |
| hoihoi-ほいほい | gemakkelijk; zonder enige moeite; volgzaam |
| hokuro-黒子 | moedervlek; wrat; naevus [nevus] |
| honeori-骨折り | moeite; krachtsinspanning; zwaar werk |
| honeorizon-骨折り損 | vergeefse [verspilde] moeite [energie]; al het werk voor niets |
| honeppoi-骨っぽい | (qua karakter) stug; star; moeilijk om mee om te gaan |
| honsen-本船 | moederschip; depotschip; dit [ons] schip |
| honsha-本社 | hoofdkantoor; hoofdkwartier; moedermaatschappij |
| horo-幌 | een geweven strook stof, bevestigd aan de achterkant van een (samoerai) harnas of helm (als versiering of bescherming tegen verdwaalde pijlen) |
| horo-母衣 | geweven doek aan de achterkant van het harnas van een samoerai (als decoratie en als bescherming tegen verdwaalde pijlen) |
| hōshin-放心 | gemoedsrust |
| hōtan-放胆 | grote moed; stoutmoedigheid; dapperheid; onverschrokkenheid |
| hōteidensenbyō-法定伝染病 | meldingsplichtige infectieziekte (besmettelijke ziekte die men wettelijk verplicht moet melden aan de autoriteiten) |
| i-慰 | (in kanji combinaties) troost; bemoediging; zorg; medeleven |
| i-易 | eenvoud; gemak; moeiteloosheid |
| ibarakidasshu-茨城ダッシュ | rijgedrag van automobilisten die zodra het stoplicht op groen springt, snel rechtsaf slaan voor het tegemoetkomend verkeer (genoemd naar Ibaraki Pref) |
| icharibachōdē-いちゃりばちょーでー | (Okinawa dialect) zodra we elkaar ontmoeten zijn we broers [zusters] (m.a.w. wees vriendelijk voor vreemden) |
| ichigoichie-一期一会 | een unieke belangrijke ontmoeting |
| ichimenshiki-一面識 | oppervlakkige kennis; eenmalige ontmoeting |
| ichinan-一難 | een probleem; moeilijkheid; ramp |
| ifuku-異腹 | kinderen (halfbroers, halfzusters) van verschillende moeders |
| iigusa-言い草 | excuus; smoes |
| iinayamu-言い悩む | aarzelen [het moeilijk vinden] om te zeggen |
| iinikui-言い難い | moeilijk om te zeggen; pijnlijk; delicaat; gênant |
| iinuke-言い抜け | excuus; smoes; ontwijking |
| iizama-好い様 | (ironisch spraakgebruik) netelige [moeilijke; lastige; beschamende] omstandigheid [situatie] |
| iji-意地 | gemoed; temperament; aard; karakter |
| ikenai-いけない | niet mogen; niet kunnen; niet moeten; niet behoren te |
| ikichigai-行き違い | het elkaar voorbij lopen [passeren] (zonder ontmoeting; contact) |
| ikihaji-生き恥 | de schaamte die men tijdens zijn leven moet verduren; leven [voortbestaan] in schaamte [schande; oneer] |
| ikioi-勢い | vitaliteit; levenskracht; levensmoed |
| ikioizuku-勢いづく | moed vatten; zich vermannen; kracht verzamelen |
| ikishōchin-意気消沈 | ontmoedigd [depressief; down] zijn |
| imon-慰問 | bezoek (uit medeleven) aan een ongelukkig persoon of iemand die het moeilijk heeft |
| imonsuru-慰問する | (uit medeleven) een ongelukkig persoon of iemand die het moeilijk heeft bezoeken |
| inki-陰気 | treurigheid; zwaarmoedigheid; melancholie |
| innā・raifu-インナー・ライフ | gemoedsleven; gevoelsleven; zieleleven |
| intāseputā-インターセプター | jachtvliegtuig (dat vijandelijke projectielen moet onderscheppen) |
| iroyoi-色好い | positief; bemoedigend |
| isamashii-勇ましい | moedig; dapper |
| isamashii-勇ましい | stimulerend; aanmoedigend; opzwepend |
| isamitatsu-勇み立つ | gestimuleerd [bemoedigd; opgefleurd; geprikkeld] zijn [worden] |
| isshokenmei-一所懸命 | met de volle inzet [met grote moeite; uit alle macht] (iets doen) |
| isshokenmei-一所懸命 | in de middeleeuwen de plaats die samoerai kregen als thuishaven om te leven en te werken |
| isshokuta-一緒くた | mengelmoes; warboel; ratjetoe |
| itatsuki-労 | pijn; last; moeite; bezorgdheid; angst |
| itazuki-労き | pijn; last; moeite; bezorgdheid; angst |
| izakoza-いざこざ | complicaties; conflict(en); moeilijkheden; (geld) problemen |
| jamadate-邪魔だて | (moedwillige) obstructie; hindering; tegenwerking; belemmering |
| jibyō-持病 | (fig.) een slechte gewoonte (die moeilijk te doorbreken is) |
| jidori-地鳥 | een vrije uitloop kip (die in Japan aan bepaalde strenge voorwaarden moet voldoen) |
| jigōjitoku-自業自得 | boeten voor zijn fouten; zijn verdiende loon krijgen; de gevolgen [consequenties] (van zijn daden) moeten aanvaarden |
| jinchūmimai-陣中見舞い | een helpend [aanmoedigend] bezoek aan soldaten aan het front |
| jinchūmimai-陣中見舞い | een helpend [aanmoedigend] bezoek aan mensen die hard moeten werken |
| jingai-塵外 | (de gemoedstoestand van) een plek ver weg van de problemen van de alledaagse [stoffelijke; seculiere] wereld |
| jinryoku-尽力 | (zware) inspanning; kracht; moeite; onderneming |
| jishinkajō-自信過剰 | overmoedigheid; zelfoverschatting; arrogantie |
| jitsubo-実母 | biologische moeder; echte moeder |
| jiyūhōninshugi-自由放任主義 | het laisser faire principe (ook economische term voor vrijheid van productie en (handels)verkeer zonder overheidsbemoeienis) |
| jōdō-情動 | emotie; affect; gemoedsaandoening; gemoedstoestand |
| jogen-助言 | advies; raad; aanmoediging |
| jokei-女系 | de vrouwelijke familielijn; de afstammingslijn van moederskant |
| josei-助成 | bijstand; ondersteuning; bevordering; aanmoediging |
| jōyōkanji-常用漢字 | de officiële lijst van kanji die elke Japanse student tenminste moet kennen bij het afleggen van het examen voor het voortgezet onderwijs in Japan |
| jūjun-柔順 | gehoorzaam [volgzaam; zachtmoedig] zijn |
| kabo-家母 | je (eigen) moeder |
| kabura-鏑 | (afk. voor) een pijl met een fluitje aan de pijlpunt, dat geluid maakt als de pijl wordt afgeschoten; werd gebruikt door samoerai in het feodale Japan |
| kaburaya-鏑矢 | een pijl waar aan de punt een fluitje is bevestigd (dat geluid maakt als de pijl wordt afgeschoten; werd gebruikt door samoerai in het feodale Japan) |
| kachi-徒 | (arch.) voetsoldaat; samoerai te voet |
| kado-廉 | (vermoedelijke) reden; aantijging; verdenking |
| kagebenkei-陰弁慶 | een opschepper; bullebak; iem. met een grote moed (maar weinig moed) |
| kai-甲斐 | gevolg; resultaat; voordeel; de moeite waard |
| kaigō-会合 | ontmoeting; bijeenkomst; vergadering |
| kaigōsuru-会合する | ontmoeten; bijeenkomen; vergaderen |
| kaigū-会遇 | ontmoeting |
| kaijō-会場 | ontmoetingsruimte; vergaderzaal; evenementenruimt |
| kaikan-会館 | hal; zaal; ontmoetingsruimte |
| kaikō-邂逅 | toevallige ontmoeting |
| kaisho-会所 | ontmoetingsplek; plaats [locatie] voor een bijeenkomst [feest] |
| kaishō-解消 | (m.b.t. probleem, moeilijkheid, stress e.d.) oplossing; opheffing |
| kaisuru-会する | ontmoeten; onverwacht tegenkomen; elkaar treffen |
| kakegoe-掛け声 | (aanmoedigings) kreet; schreeuw (b.v. uit publiek in theater) |
| kakushi-客思 | gemoedstoestand van een reiziger (op weg naar een bestemming) |
| kakushu-鶴首 | het uitkijken naar (iets leuks); tegemoet zien; verlangend afwachten |
| kamabisushii-囂しい | luid; luidruchtig; rumoerig; lawaaiig |
| kamishimo-裃 | samoeraikostuum (oude ceremoniële dracht) |
| kangaeru-考える | nadenken; vermoeden; overwegen |
| kanjin-勧進 | boeddhistisch zendingswerk; het mensen aanmoedigen het boeddhistische pad [de boeddhistische leer] te volgen |
| kanjin-寛仁 | grootmoedigheid; edelmoedigheid; barmhartigheid |
| kanjo-寛恕 | verdraagzaamheid; tolerantie; (grootmoedige) vergeving; vergiffenis; clementie |
| kankai-勧戒 | aanmoediging [vermaning] om het goede te doen en waarschuwing tegen het kwade |
| kankai-勧戒 | (boeddh.) aanmoediging [vermaning] om de voorschriften van Boeddha na te leven |
| kankan-閑閑 | een kalme, ontspannen gemoedstoestand |
| kanki-官紀 | ambtelijke discipline; regels die ambtenaren moeten volgen |
| kannan-艱難 | ontberingen; moeilijkheden |
| kanshō-干渉 | interventie; tussenkomst; bemoeienis |
| kanshōsuru-干渉する | tussenbeide komen; zich mengen (in); zich bemoeien (met) |
| kantan-感嘆 | (uitroepen van) bewondering [aanmoediging] |
| kaoawase-顔合わせ | eerste ontmoeting; introductie |
| karagenki-空元気 | vals [onecht] vertoon van moed [lef]; net doen alsof alles goed gaat |
| karai-辛い | pijnlijk; bitter; moeilijk |
| karamawari-空回り | vergeefse moeite; ondoelmatig [ondoeltreffend] zijn |
| karasugane-烏金 | geld uitgeleend voor één etmaal; lening die direct de volgende ochtend moet worden terugbetaald (lett. kraaien-geld; kraaien krijsen bij zonsopgang) |
| karōjite-辛うじて | nauwelijks; amper; nog maar net; met moeite |
| kashizashiki-貸座敷 | tatamikamer die verhuurd wordt voor geheime ontmoetingen tussen mannen en vrouwen; bordeel |
| kashoku-家職 | een familielid (van samoerai, van adel, of van een rijke familie), dat verantwoordelijk is voor huishoudelijke zaken |
| katai-難い | moeilijk; niet makkelijk |
| kateisuru-仮定する | veronderstellen; aannemen; vermoeden |
| kāten・rekuchā-カーテン・レクチャー | bedsermoen; gordijnpreek (terechtwijzing van een vrouw aan haar man in de slaapkamer) |
| katsuro-活路 | overlevingsstrategie; ontsnappingswijze; uitweg (uit moeilijkheden, impasse, e.d.) |
| kattō-葛藤 | problemen [moeilijkheden; onenigheid; geschillen] tussen mensen |
| kazamuki-風向き | stemming; gemoedstoestand; situatie |
| kazemuki-風向き | stemming; gemoedstoestand; situatie |
| keibo-継母 | stiefmoeder |
| keikizuke-景気づけ | het oppeppen; opvrolijken; aanmoedigen; een boost geven |
| keikyoku-荊棘 | obstakel; bron van moeilijkheden; doorn (in het oog) |
| keiretsugaisha-系列会社 | gelieerd bedrijf; moeder-, dochter-, of zustermaatschappij |
| keirui-係累 | familieleden (m.n. die afhankelijk zijn en onderhouden moeten worden, zoals echtgenoten en kinderen) |
| ken-喧 | (in kanji combinaties) luidruchtig; lawaaierig; lawaaiig rumoerig |
| kenage-健気 | dapperheid; edelmoedigheid |
| kengi-嫌疑 | vermoeden; verdenking |
| kengo-堅固 | standvastig [gelijkmatig] zijn (van gemoed) |
| kentai-倦怠 | vermoeidheid; lusteloosheid |
| keshikakeru-嗾ける | ophitsen; provoceren; aansporen; aanmoedigen |
| ketsuro-血路 | manier om moeilijkheden te overwinnen [om te overleven] |
| kewashii-険しい | steil (van een helling, e.d.); moeilijk; zwaar |
| kiai-気合い | kreet; schreeuw; strijdkreet; aanmoedigingskreet |
| kibangan-基盤岩 | grondgesteente; moedergesteente; fundament |
| kigen-機嫌 | stemming; gemoedstoestand; humeur |
| kihaku-気迫 | levenskracht; vitaliteit; geestelijke energie; moed; durf |
| kikigurushii-聞き苦しい | pijnlijk [onaangenaam; moeilijk] om te horen |
| kikimono-聞き物 | iets dat de moeite waard [belangrijk] is om te horen |
| kikinikui-聞き難い | moeilijk hoorbaar [om te horen] zijn |
| kikizurai-聞き辛い | moeilijk te horen [verstaan; vragen] |
| kikkutsu-詰屈 | moeilijk te begrijpen zijn |
| kimo-肝 | moed; lef |
| kimochi-気持ち | gevoelens; gemoedstoestand; stemming |
| kimodama-肝玉 | moed; lef; durf |
| kimodameshi-肝試し | dapperheidstest; test van iemands moed |
| kimon-奇問 | een vreemde [onverwachte] vraag; een moeilijke [lastige] vraag |
| kimottama-肝っ玉 | moed; lef; durf |
| kimuzukashii-気難しい | kieskeurig; veeleisend; moeilijk (van karakter) |
| kinchō-金打 | een plechtige belofte [eed] (afgelegd door samoerai met hun zwaarden tegen elkaar gedrukt, en door vrouwen met spiegels) |
| kinisuru-気にする | zich zorgen maken over; ergens om geven; zich bemoeien met |
| kinkakushi-金隠し | (samoerai) harnasstuk (aan de voorkant, over de dijbenen) |
| kinki-禁忌 | taboe; iets dat je niet moet doen |
| kiochi-気落ち | ontmoediging; teleurstelling |
| kiomo-気重 | sombere stemming; zwaar gemoed |
| kisha-喜捨 | een (charitatieve) donatie (m.n. aan een tempel of heiligdom); aalmoes |
| kishi-騎士 | een samoerai op een paard; een cavalerist |
| kitsu-詰 | (on-lezing; in kanji combinaties) vooroverbuigen; bukken; krom [moeilijk te begrijpen] zijn |
| kiu-気宇 | grootmoedig [ruimdenkend] zijn |
| kizuyoi-気強い | geruststellend; bemoedigend |
| koa・taimu-コア・タイム | bloktijd (tijd waarin alle werknemers met variabele werktijden aanwezig moeten zijn) |
| kobu-鼓舞 | aanmoediging; inspiratie |
| kobushi-古武士 | samoerai; feodale krijger |
| kobusuru-鼓舞する | inspireren; aanmoedigen |
| kodomogokoro-子供心 | kinderziel; het (onschuldige) gemoed [hart; gevoel] (als) van een kind |
| kogu-漕ぐ | zich moeizaam voortbewegen [zich een weg banen] (door sneeuw, modder, e.d.) |
| kōi-好意 | vriendelijkheid; welwillendheid; tegemoetkoming |
| kōjitsu-口実 | excuus; voorwendsel; smoes |
| kokochi-心地 | gevoel; stemming; gemoedstoestand |
| kokoku-故国 | moederland; vaderland |
| kokoroatari-心当たり | vermoeden; aanwijzing; idee |
| kokoroegatai-心得難い | moeilijk te begrijpen [te bevatten] |
| kōman-高慢 | trots; arrogantie; hooghartigheid; hoogmoedigheid; verwaandheid |
| komiiru-込み入る | ingewikkeld [moeilijk; complex] zijn |
| kon-困 | (in kanji combinaties) probleem; last; moeilijkheid |
| konbo-コンボ | combo (term bij computerspellen, reeks acties die uitgevoerd moeten worden in een specifieke volgorde) |
| konkyū-困窮 | het in de problemen zitten; armoede; financiële nood |
| konnan-困難 | tegenspoed; ontberingen; last; moeilijkheden |
| koroshimonku-殺し文句 | wervende openingszin (bij een eerste ontmoeting); vlotte uitspraak om iemand de versieren |
| kōsobo-高祖母 | betovergrootmoeder |
| kosui-鼓吹 | aanmoediging; bemoediging; stimulans; pleitbezorging; bevordering |
| kotsukotsu-こつこつ | vlijtig; nijver; onvermoeibaar; gestaag |
| kōzo-楮 | Japanse papiermoerbei (boom, Broussonetia kazinoki × B. papyrifera; de schors is de grondstof voor Japans papier) |
| kōzogami-楮紙 | een soort Japans papier (washi) gemaakt van de vezels uit de schors van de papiermoerbeiboom |
| kugai-苦界 | het moeilijke leven van een prostituee |
| kugaku-苦学 | het studeren onder moeilijke (economische) omstandigheden |
| kugin-苦吟 | met moeite en inspanning een gedicht componeren |
| kuitsumeru-食い詰める | niet meer kunnen overleven; niet meer kunnen voorzien in je levensonderhoud; tot armoede vervallen |
| kujiku-挫く | ontmoedigen |
| kujū-苦渋 | moeilijke [pijnlijke] ervaring [tijd] |
| kukan-苦寒 | bittere armoede |
| kunigarō-国家老 | hooggeplaatste samoerai-ambtenaar in dienst van een daimyō (die in diens afwezigheid het domein beheert) |
| kurayami-暗闇 | hopeloosheid; somber [wanhopig; moedeloos] zijn over de toekomst |
| kurō-苦労 | moeite; pijn; ontbering; tegenslag |
| kurosu・pure-クロス・プレー | nek-aan-nekrace; wedstrijd die zo gelijk opgaat datj een scheidsrechter moeilijk kan bepalen wie er wint |
| kurushii-苦しい | pijnlijk; moeilijk; zwaar (te verduren) |
| kusaru-腐る | depressief [moedeloos; neerslachtig] zijn [worden] |
| kushinsantan-苦心惨憺 | onverdroten; ijverig; nijver; noest; met grote moeite |
| kushinsantansuru-苦心惨憺する | veel moeite [inspanningen] doen; zijn uiterste best doen |
| kusodokyō-糞度胸 | roekeloosheid; waaghalzerij; overmoed |
| kutakuta-くたくた | (onomatopee) uitgeput; op; doodmoe; dodelijk vermoeid |
| kutakuta-くたくた | (onomatopee) zacht; papperig; (tot) moes |
| kūtū-クートゥー | #KuToo (een woordspeling van kutsu = schoenen en kutsū = pijn), protest van Japanse vrouwen tegen het moeten dragen van hoge hakken op het werk |
| kuwa-桑 | moerbeiboom ((Morus alba)) |
| kyōchi-境地 | gemoedstoestand |
| kyōchū-胸中 | zijn hart [gemoed; gevoelens; binnenste] |
| kyōgō-驕傲 | trots; arrogantie; hoogmoed |
| kyōikumama-教育ママ | (een moeder die haar kind(eren) streng opvoedt om ze zo goed mogelijk te laten presteren) tijgermoeder; tijgermama |
| kyūsuru-窮する | arm worden; tot armoede vervallen; geldgebrek hebben |
| machiagumu-待ち倦む | moe worden van het wachten; niet langer kunnen wachten; het wachten moe zijn |
| machiai-待合 | afspraak; samenkomst; ontmoeting |
| machiai-待合 | de plek waar men elkaar ontmoet [op elkaar wacht]; wachtkamer |
| machidoo-待ち遠 | het ongeduldig wachten; niet kunnen wachten; lang moeten wachten |
| machidooshii-待ち遠しい | ongeduldig wachten; niet kunnen wachten; lang moeten wachten |
| machikutabireru-待ち草臥れる | moe worden van het wachten; het wachten moe zijn |
| machiwabiru-待ち侘びる | moe worden van het wachten; niet meer kunnen wachten |
| magireru-紛れる | moeilijk te onderscheiden zijn; verwarring veroorzaken |
| maindo-マインド | geest; gemoed; denkwijze |
| mama-ママ | mamma; (mijn) moeder |
| mamagoto-飯事 | (kinderspel) vadertje en moedertje spelen; theepartijtje, e.d. houden met speelgoedservies |
| mamahaha-継母 | stiefmoeder |
| manmosu-マンモス | mammoet |
| manshin-慢心 | hoogmoed; opschepperij; trots |
| mararia-マラリア | malaria; moeraskoorts |
| maria-マリア | (de heilige Maagd) Maria (moeder van Jezus) |
| marishiten-摩利支天 | Marīci, een boeddhistische godheid (m.n. de beschermgod van de samoerai) |
| masshu-マッシュ | puree; moes |
| mazābōdo-マザーボード | (Eng.: motherboard) moederbord (computerterm) |
| mazakon-マザコン | moedercomplex |
| mazaringu-マザリング | (Eng.: mothering) bemoederen; moederschap |
| mazaringu・sandē-マザリング・サンデー | (Eng.: mothering sunday) Moeders Zondag (van oorsprong Christelijke feestdag op de vierde zondag van de vastentijd) |
| mazā・gūsunouta-マザー・グースの歌 | liedjes [versjes] van Moeder de Gans |
| mazā・konpurekkusu-マザー・コンプレックス | moedercomplex (Eng. mother complex) |
| mazekoze-まぜこぜ | wirwar; mengelmoes |
| meguriai-巡り合い | toevallige ontmoeting |
| meikyōshisui-明鏡止水 | serene [vredige] gemoedsgesteldheid (zonder slechte gedachten) |
| meimei-冥冥 | onduidelijk; moeilijk te begrijpen |
| mendōkusai-面倒臭い | lastig; vervelend; te veel moeite kostend |
| meneji-雌螺子 | (schroef)moer (die op een (schroef)bout gedraaid kan worden) |
| mengo-面晤 | persoonlijk gesprek; persoonlijke ontmoeting |
| menkai-面会 | (vraag)gesprek; ontmoeting; bespreking |
| merankorī-メランコリー | melancholie; weemoed |
| meshiudo-囚人 | samoerai-concubine |
| meshūdo-召人 | samoerai-concubine |
| metasekoia-メタセコイア | watercipres; Chinese mammoetboom (Metasequoia glyptostroboides) |
| miai-見合い | een ontmoeting om een toekomstig huwelijk te bespreken |
| michakuhin-未着品 | goederen die nog geleverd moeten worden |
| migotae-見応え | de moeite waard om te zien; indrukwekkend |
| mikata-味方 | aanmoediging; stimulering; versterking; aanvulling |
| mikkai-密会 | geheime ontmoeting; rendez-vous |
| mimiyori-耳寄り | welkom [bemoedigend] zijn |
| minikui-見難い | moeilijk te zien |
| minkanryōhō-民間療法 | oude huismiddeltjes; geneesmiddeltjes uit grootmoeders tijd |
| miru-見る | ontmoeten; bezoeken |
| misuborashii-みすぼらしい | armoedig; armzalig |
| mīto-ミート | ontmoeten |
| mizubashō-水芭蕉 | Moerasaronskelk (Lysichiton camtschatcensis) |
| mōbo-孟母 | de moeder van Mencius (Chinese wijsgeer, 372 v.Chr. - 289 v.Chr.) |
| mōbosansennooshie-孟母三遷の教え | het belang van het creëren van een goede leeromgeving voor een kind (naar een oud verhaal over Mencius' moeder die 3 keer verhuisde daarvoor) |
| momizumu-モミズム | buitensporige aandacht van een overbezorgde of aanhankelijke moeders voor haar kind |
| monchaku-悶着 | problemen; moeilijkheden; sores; tegenspoed |
| monkī-モンキー | verstelbare moersleutel |
| monkī・renchi-モンキー・レンチ | verstelbare moersleutel |
| monkī・supana-モンキー・スパナ | verstelbare moersleutel |
| mononokazu-物の数 | iets belangrijks; iets dat de moeite waard is |
| mōshikaneru-申し兼ねる | aarzelen [het moeilijk vinden] om iets te zeggen |
| mōshō-猛将 | dappere [moedige; onverschrokken] generaal [krijgsheer] |
| muchiutsu-鞭打つ | aansporen; aanmoedigen; stimuleren; aanvuren |
| mudaashi-無駄足 | vergeefse poging; verspilde moeite |
| mudabone-無駄骨 | vergeefse [verspilde] moeite |
| mufuron-ムフロン | moeflon; steenschaap |
| mukae-迎え | ontmoeting; het iemand opwachten [afhalen] |
| mukaeru-迎える | ontmoeten; (iem.) afhalen; tegemoetkomen; verwelkomen; groeten |
| mukau-向かう | ontmoeten; staan tegenover; trotseren |
| murinandai-無理難題 | onredelijke [moeilijke] eis |
| mushaburi-武者振り | moed; durf; krijgshaftigheid; onversaagdheid; onverschrokkenheid; manmoedigheid |
| mushinoshirase-虫の知らせ | voorgevoel; vermoeden |
| mutsukashii-難しい | moeilijk; ingewikkeld; lastig; netelig |
| muzukashii-難しい | moeilijk; ingewikkeld; lastig; netelig |
| nakerebanaranai-なければならない | (zou) moeten (doen) |
| nakibokuro-泣き黒子 | een moedervlek onder een oog (volgens een Japans volksgeloof een teken dat iemand gevoelig is voor huilen) |
| nakuhanai-なくはない | (uitdrukking met een dubbele ontkenning) het is niet zo dat het er (helemaal) niet is; niet zonder zijn; wel zo moeten zijn; er zijn veel |
| namazu-鯰 | meerval (m.n. de Amoermeerval, Silurus asotus) |
| namidame-涙目 | ogen die gauw tranen (bij vermoeidheid, e.d.) |
| nan-難 | moeilijkheid; probleem; hinder |
| nanba-難場 | een moeilijke [hachelijke; riskante] situatie; (in) een lastig parket |
| nanbun-難文 | een moeilijke [lastige] zin [passage; tekst] |
| nanbyō-難病 | een ernstige [hardnekkige; moeilijk te behandelen] ziekte; een ongeneeslijke ziekte |
| nandai-難題 | moeilijk probleem; uitdaging |
| nando-難度 | moeilijkheidsgraad |
| nandoku-難読 | moeilijk te lezen (tekst) |
| nankan-難関 | een (onoverkomelijke) barrière [obstakel; hindernis]; een moeilijke situatie; patstelling; impasse |
| nankan-難関 | moeilijk te passeren controlepunt of (stads)poort (door strenge controle) |
| nankō-難航 | moeilijke vaart [oversteek] |
| nankō-難航 | moeilijke [moeizame] voortgang |
| nannaku-難なく | makkelijk; eenvoudig; zonder moeite [probleem] |
| nanori-名乗り | naam na het bereiken van volwassenheid bij adelijke en samoerai families |
| natto-ナット | moer |
| nattsu-ナッツ | moeren |
| nayamashii-悩ましい | zorgelijk; verontrustend; moeilijk; lastig; netelig; angstig; pijnlijk |
| nazukeoya-名付け親 | peetouder [peetvader; peetmoeder] |
| nebanaranu-ねばならぬ | (=ねばならない) (zou) moeten (doen) |
| neitibu-ネイティブ | (afkorting voor) native speaker; moedertaalspreker |
| neitibu・supīkā-ネイティブ・スピーカー | moedertaalspreker; native speaker |
| ni-荷 | last; moeite; verantwoordelijkheid; verplichting |
| nigari-苦汁 | moederloog (na zoutwinning uit zeewater) |
| nigate-苦手 | lastige klant; moeilijk persoon; iemand met een gebruiksaanwijzing |
| nihon-二本 | de twee zwaarden van een samoerai (een lange en een korte) |
| nihonzashi-二本差し | een benaming voor een samoerai (die beide zwaarden vasthoudt) |
| niku-肉 | vruchtvlees; moes |
| nikui-難い | (wordt toegevoegd aan een werkwoord) moeilijk [lastig] om te.... |
| ninjutsu-忍術 | (één van de tactieken van ninja's tijdens de samoerai periode) een vorm van spionage (door het gebruik van vermommingen, trucs, e.d.) |
| ninsanpu-妊産婦 | zwangere vrouwen en vrouwen die (net) bevallen zijn; zwangere vrouwen en moeders die borstvoeding geven |
| nobanashi-野放し | iemand zijn gang laten gaan; (iets) op zijn beloop laten; zich ergens niet mee bemoeien |
| nobushi-野武士 | (in de middeleeuwen) boeren die (in groepen) verslagen samoerai aanvielen en zich hun uitrustingen, etc. toeëigenden |
| nokeru-退ける | (achter een ww. in de -te vorm) lukken; kans zien (om); (iets moeilijks) klaarspelen |
| numa-沼 | moeras; drasland |
| numachi-沼地 | moerasgrond; moerasachtig gebied |
| nyōin-女院 | aan het keizerlijk hof de titel 'in' voor de moeder van de keizer, de keizerin of de prinses |
| obaasan-お婆さん | grootmoeder; oma; oude vrouw |
| ochimusha-落ち武者 | een verslagen strijder [samoerai] op de vlucht |
| ōen-応援 | hulp; steun; versterking; aanmoediging |
| ōensuru-応援する | helpen; steunen; aanmoedigen |
| ofukuro-お袋 | informele term voor (de eigen) moeder |
| ogi-荻 | prachtriet; Amoer-zilvergras (Miscanthus sacchariflorus) |
| ōhei-横柄 | hooghartigheid; trots; hoogmoed |
| okaasan-お母さん | moeder (beleefd, ook aanspreektitel) |
| okken-憶見 | op veronderstellingen [speculatie; vermoeden] gebaseerde mening |
| okuru-送る | afscheid (moeten) nemen; (een naaste) verliezen |
| omemoji-御目文字 | persoonlijke ontmoeting met iemand (vooral door vrouwen gebruikt) |
| omoi-重い | moe; somber; depressief; zwaar op de hand |
| oneji-雄螺子 | schroefbout (bout met schroefdraad waarop een moer geschroefd kan worden) |
| ooraka-大らか | ruimdenkendheid; vrijmoedigheid |
| ooshii-雄雄しい | dapper; moedig; heldhaftig; mannelijk |
| ooyō-大様 | ruimhartigheid; vrijgevigheid; onbaatzuchtigheid; grootmoedigheid |
| oppai-おっぱい | melk; moedermelk; borst(en) |
| ōse-逢瀬 | rendez-vous; (geheim) afspraakje; ontmoeting (van geliefden) |
| oshihakaru-推し量る | vermoeden; veronderstellen; raden; speculeren |
| osoraku-恐らく | waarschijnlijk; vermoedelijk; mogelijk; misschien |
| otokorashii-男らしい | mannelijk; macho; stoer; flink; dapper; moedig; betrouwbaar |
| oya-親 | ouder(s) (vader, moeder) |
| oyabune-親船 | moederschip (groot schip dat het middelpunt van een vloot vormt) |
| oyakabu-親株 | (plantkunde) moederplant |
| oyasui-お安い | eenvoudig; simpel; geen moeite |
| ōyō-鷹揚 | ruimhartigheid; vrijgevigheid; onbaatzuchtigheid; grootmoedigheid |
| porutamento-ポルタメント | portamento (een muziekterm die aangeeft dat een toon zonder onderbreking moet overlopen in een andere toon) |
| pua-プア | arm; armoedig |
| raden-螺鈿 | raden, de techniek van het inleggen van dunne lagen parelmoer (b.v. in lakwerk) |
| raimu-ライム | limoen |
| raimu・jūsu-ライム・ジュース | limoensap |
| rakuhaku-落魄 | verval tot armoede; in behoeftige omstandigheden geraakt; verarming; teloorgang |
| rakutan-落胆 | ontmoediging; neerslachtigheid; teleurstelling |
| randebū-ランデブー | (uit het Frans) rendez-vous; afspraak(je); (romantische) ontmoeting |
| ransōninshin-卵巣妊娠 | ovariële zwangerschap; eierstok zwangerschap (een buitenbaarmoederlijke zwangerschap) |
| reikai-例会 | reguliere vergadering; regelmatige ontmoeting [bijeenkomst] |
| resse・fēru-レッセ・フェール | het laisser faire principe (ook economische term voor vrijheid van productie en (handels)verkeer zonder overheidsbemoeienis) |
| reten-レ点 | teken dat aangeeft dat de volgorde van karakters moet worden omgekeerd (bij het lezen van Chinese of klassiek Japanse teksten) |
| rinrin-凛凛 | energiek; moedig; heldhaftig |
| rinzen-凛然 | imponerend; waardig en moedig; statig; indrukwekkend; ontzagwekkend |
| rōbo-老母 | oude [bejaarde] moeder |
| rokkunatto-ロックナット | contramoer |
| roku-禄 | leengoed; leen (b.v. van een samoerai) |
| rokumai-禄米 | toelage in rijst; rijstvergoeding (voor samoerai) |
| rōnin-浪人 | een samoerai zonder meester [leenheer] |
| rōnin-浪人 | iemand die het toelatingsexamen voor de universiteit niet heeft gehaald (en moet wachten op een volgende kans) |
| rōshi-浪士 | een samoerai zonder meester [leenheer] |
| rōshi-老師 | oorlogsmoeheid (van strijdkrachten) |
| rōwa-朗話 | een vrolijk [blijmoedig] verhaal |
| ryanko-両個 | (een denigrerende term voor) een samoerai (met twee zwaarden) |
| ryōshin-両親 | (beide) ouders (vader en moeder) |
| ryoshū-旅愁 | weemoedigheid [melancholie] tijdens het reizen |
| ryūnen-留年 | een schooljaar over moeten doen; blijven zitten; doubleren |
| sābisu・kōto-サービス・コート | servicevak (gedeelte van de baan waar men moet serveren bij tennis, badminton, etc.) |
| sage-下げ | (afk. voor) (van samoerai) koord om de zwaardschede aan de obi te bevestigen |
| sageo-下げ緒 | (van samoerai) koord om de zwaardschede aan de obi te bevestigen |
| saihai-采配 | een staf [scepter] als teken van rang (zoals van die van de samoerai-commandanten in het feodale Japan) |
| sakekasu-酒粕 | wijnmoer; droesem van wijn |
| sakkō-作興 | bevordering; verbetering aanmoediging; opwekking |
| samasu-冷ます | ontmoedigen; temperen (fig.) |
| samurai-侍 | samoerai; strijder |
| sanpatsudattōrei -散髪脱刀令 | (Meiji) proclamatie in 1871, ter afschaffing van de klassieke haardracht van de samoerai en een verbod op het publiekelijk dragen van zwaarden |
| santoku-三徳 | de drie deugden (wijsheid, moed en welwillendheid) |
| sanzunokawa-三途の川 | Sanzu, in de Japanse boeddhistische mythologie een rivier die overledenen na hun dood moeten oversteken om in het hiernamaals te komen |
| sashideru-差し出る | opdringerig zijn; zijn neus ergens in steken (fig.); zich ergens mee bemoeien |
| sashizoe-差し添え | een kort zwaard (dat samen met een groot zwaard door de samoerai werd gedragen) |
| sassuru-察する | veronderstellen; vermoeden; de indruk krijgen; concluderen |
| sawagu-騒ぐ | lawaai [kabaal] maken; rumoerig zijn |
| sechigarai-世知辛い | hard; moeilijk; zwaar |
| segyō-施行 | (boeddh.) liefdadigheid; het geven van aalmoezen aan (bedel)monniken |
| seibo-生母 | echte moeder; biologische moeder |
| seien-声援 | (mondelinge) aanmoediging; gejuich |
| seimen-生面 | eerste ontmoeting |
| seki-席 | plaats [plek] waar een ontmoeting [gebeurtenis; gelegenheid] zal plaatsvinden; kamer; zaal |
| sekihin-赤貧 | extreme armoede |
| sekishō-石菖 | dwergkalmoes (Acorus gramineus) |
| sekkaku-折角 | met (grote) moeite; speciaal; vooral; uitdrukkelijk |
| sekoia-セコイア | kustmammoetboom (sequoia sempervirens) |
| sessatakuma-切磋琢磨 | toewijding; wederzijdse aanmoediging(en); elkaar stimuleren (om het beter te doen) |
| sessha-拙者 | (eerste persoon enkelvoud, in taalgebruik van samoerai e.d.) ik; mij |
| setto・pojishon-セット・ポジション | (honkbal) de houding die de pitcher moet innemen vlak voordat hij gaat werpen |
| sewayaki-世話焼き | zorgzaam persoon; bemoeial |
| seyo-施与 | liefdadigheid; het geven van een aalmoes; dispensatie; genade |
| shahi-舎費 | onderhoudskosten van een slaapzaal, die de bewoners moeten betalen |
| shāshī-シャーシー | een behuizing waarin het moederbord, geheugen, diskettes en andere onderdelen van een computer zijn gemonteerd |
| shibia-シビア | streng; moeilijk; zwaar |
| shibugaki-渋柿 | astringente kaki (een kakisoort met hoog gehalte aan tannine, waardoor ze bitter smaken, en langer moeten rijpen om eetbaar te worden) |
| shibun-士分 | rang [status; klasse] van samoerai |
| shichimendō-七面倒 | iets dat buitengewoon lastig [vervelend; vermoeiend] is |
| shidō-士道 | krijgseer; ridderlijkheid; gedragscode van de samoerai |
| shigeki-刺激 | aanmoediging; stimulering; impuls |
| shigekisuru-刺激する | stimuleren; aanmoedigen |
| shihōshiken-司法試験 | balie-examen (examen dat een advocaat moet afleggen om te worden toegelaten tot de balie van een rechtsgebied) |
| shijin-士人 | samoerai |
| shikon-士魂 | de ziel van een samoerai |
| shikon-詩魂 | dichterlijk gemoed; gevoel voor poezie |
| shikoro-錏 | nekbeschermende delen [platen] van een Japanse samoeraihelm |
| shikyō-詩境 | poëtische gemoedstoestand (bij het componeren, lezen of reciteren van een gedicht) |
| shikyū-子宮 | baarmoeder; uterus |
| shikyūgaininshin-子宮外妊娠 | buitenbaarmoederlijke zwangerschap |
| shikyūgan-子宮がん | baarmoederkanker; uteruscarcinoom |
| shikyūkei-子宮頸 | baarmoederhals; cervix |
| shikyūkeibu-子宮頸部 | baarmoederhals; cervix |
| shikyūkeigan-子宮頸癌 | baarmoederhalskanker; cervixcarcinoom |
| shimin-士民 | de samoerai (klasse) en het gewone volk [de burgerbevolking] |
| shindoi-しんどい | vermoeid; uitgeput |
| shindoi-しんどい | vermoeiend; lastig; hinderlijk |
| shinguru・mazā-シングル・マザー | alleenstaande moeder |
| shinimonogurui-死に物狂い | wanhopige vastberadenheid; met de moed der wanhoop; een strijd op leven en dood |
| shinjusō-真珠層 | parelmoer; paarlemoer |
| shinkyō-心境 | gemoedstoestand; mentaliteit |
| shinobiai-忍び会い | geheime ontmoeting; rendez-vous |
| shinōkōshō-士農工商 | de vier klassen van het feodale Japan, krijgers [samoerai], boeren, ambachtslieden en handelaren |
| shinrō-心労 | mentale uitputting [vermoeidheid] |
| shinsei-心性 | natuur; aard; karakter; gemoed |
| shintan-心胆 | hart; durf; lef; moed |
| shiseki-咫尺 | ontmoeting met [audiëntie bij] iemand van hoge status |
| shitchi-湿地 | moeras; moerasland; drasland; drassig gebied; drassige grond |
| shitsugen-湿原 | moeras(land) |
| shiun-紫雲 | (in Boeddhisme) de wolk waarop de boeddha Amida gelovigen op hun sterfbed tegemoet treedt |
| shizoku-士族 | (in 1947 afgeschaft als stand of rang) samoerai-familie(lid); afstamming van een samoerai-familie |
| shizugokoro-静心 | innerlijke kalmte; rust; bedaardheid; serene gemoedstoestand |
| shobokureru-しょぼくれる | de moed verliezen [opgeven]; terneergeslagen zijn; er neerslachtig uitzien |
| shōbu-菖蒲 | kalmoes (Acorus calamus) |
| shōgaku-奨学 | aanmoediging te studeren [onderzoek te doen] |
| shōkafuryō-消化不良 | onbegrijpelijkheid; (fig.) moeilijk te verteren; moeilijk te begrijpen |
| shokai-初会 | eerste ontmoeting; het voor de eerste keer bijeenkomen |
| shōki-沼気 | moerasgas; methaan |
| shonbori-しょんぼり | moedeloosheid; neerslachtigheid |
| shōrei-奨励 | aanmoediging; stimulering; aansporing |
| shorō-所労 | vermoeidheid; uitputting |
| shosei-所生 | (biologische) ouders; vader en moeder |
| shotaimen- 初対面 | de eerste ontmoeting (met iemand) |
| shōtaku-沼沢 | moeras |
| shōtakuchi-沼沢地 | moerasland |
| shōyū-小勇 | fysieke [brute] moed |
| shōzen-悄然 | neerslachtigheid; moedeloosheid |
| shūshokunan-就職難 | moeilijk werk kunnen vinden (door een tekort aan werkgelegenheid) |
| shūsoku-終息 | beëindiging; afsluiting (m.n. van een moeilijke situatie) |
| sō-壮 | kracht; dapperheid; moed; heldhaftigheid; iets magnifieks [groots] |
| sobo-祖母 | (mijn) grootmoeder |
| sōden-桑田 | moerbeiboomgaard; moerbeiplantage |
| sofuku-粗服 | eenvoudige [armoedige; sjofele] kleding |
| sōgū-遭遇 | onverwachte [toevallige] ontmoeting |
| sohan-粗飯 | slechte [armoedige; eenvoudige] maaltijd |
| sōken-総見 | het bezoeken van een wedstrijd [voorstelling] met een grote groep ter aanmoediging [ondersteuning] |
| sōku-走狗 | (fig.) marionet; speelbal; dupe; werktuig (iemand die het (vuile) werk moet opknappen) |
| songaibaishō-損害賠償 | schadevergoeding; schadeloosstelling; tegemoetkoming [vergoeding; compensatie] voor geleden schade |
| sonohazu-其の筈 | het zou zo moeten zijn; zoals het hoort; zoals verwacht; normaliter |
| sōsharu・uea-ソーシャル・ウエア | kleding die gedragen wordt buiten het kantoor indien men persoonlijk met het publiek moet communiceren (Engels: social wear) |
| sugasugashii-清清しい | verfrissend; verkwikkend; bemoedigend |
| sugina-杉菜 | (paardenstaart) Heermoes (een plant, Equisetum arvense) |
| sugosugo-すごすご | teneergeslagen; teleurgesteld; gedesillusioneerd; moedeloos |
| suigyo-水魚 | water en vis(sen) (ook als symbool van iets dat moeilijk van elkaar te scheiden is) |
| suisoku-推測 | schatting; hypothese; vermoeden; veronderstelling |
| suisokusuru-推測する | gissen; raden; veronderstellen; vermoeden |
| suiteimuzai- 推定無罪 | vermeende onschuld; vermoeden van onschuld |
| sukinshippu-スキンシップ | intimiteit [huidcontact] tussen moeder en kind |
| sumi-隅 | (afk. voor) (Edo periode) kapsel voor jonge samoerai (met de zijkanten van de haarlijn van de pony in hoeken ingeschoren) |
| sumimaegami-角前髪 | (Edo periode) kapsel voor jonge samoerai (met de zijkanten van de haarlijn van de pony in hoeken ingeschoren) |
| suō-素襖 | ceremonieel gewaad van lagere samoerai |
| supana-スパナ | moersleutel; schroefsleutel |
| supan・obu・kontorōru-スパン・オブ・コントロール | spanwijdte (een management-begrip dat aangeeft aan hoeveel ondergeschikten een manager moet leidinggeven) |
| tabiyatsure-旅窶れ | het verreisd [moe van het reizen] zijn |
| tachidooshi-立ち通し | het lang (moeten) staan (in trein, bus, etc.) |
| tachihadakaru-立ちはだかる | tegemoet treden; tegenover (iem.) staan; confronteren |
| tachiiru-立ち入る | ergens diep op ingaan; zich bemoeien (met andermans zaken) |
| tachimochi-太刀持ち | (bij samoerai) zwaarddrager |
| tadoritsuku-辿り着く | (na inspanningen of moeite) iets bereiken; iets voor elkaar krijgen; ergens toekomen |
| tafunesu-タフネス | taaiheid; (ge)hardheid; sterkte; onvermoeibaarheid |
| tai-胎 | baarmoeder |
| taidō-胎動 | het bewegen van een foetus in de baarmoeder |
| taiga-タイガ | moerassig naaldwoud; boreaal woud |
| taijin-大人 | een edelmoedig [grootmoedig; deugdzaam] persoon |
| taikōsha-対向車 | tegemoetkomend voertuig; tegenligger |
| taikōtaigō-太皇太后 | titel van grootmoeder van de keizer; keizerin-grootmoeder |
| taimen-対面 | persoonlijke ontmoeting; interview |
| taimenkōtsū-対面交通 | met het gezicht naar [aan de kant van de weg van] tegemoetkomend verkeer lopen |
| tainai-胎内 | in de baarmoeder |
| taiyū-大勇 | ware [innerlijke] moed [durf] |
| tajitanan-多事多難 | onrust; beroering; zware [moeilijke] tijden; problemen |
| takabisha-高飛車 | hooghartigheid; hoogmoedigheid; hoogdravendheid |
| takuhatsu-托鉢 | (boeddh.) bedeltocht van een monnik; rondgang voor het vragen van aalmoezen) |
| tameiki-溜息 | een zucht (van vermoeidheid, opluchting, e.d.) |
| tanechigai-種違い | halfbroer; halfzus (met dezelfde moeder maar verschillende vaders) |
| tariru-足りる | voldoende [genoeg] zijn; de moeite waard zijn |
| tarumono-たる者 | zo iemand als; iemand die zich ... kan noemen; degene die ... (moet) zijn |
| te-手 | moeite; inzet; inspanning |
| tebanare-手離れ | (van een kind) het niet meer constante zorg van de moeder nodig hebben |
| tedashi-手出し | inmenging; bemoeiing; interventie |
| teitai-手痛い | ernstig; moeilijk; pijnlijk; zwaar |
| teitaraku-体たらく | moeilijke toestand; lastige situatie |
| tekazu-手数 | moeite; last |
| tekishisuru-敵視する | vijandig staan tegenover; iemand als vijand beschouwen [tegemoet treden] |
| tekozuru-手子摺る | het moeilijk hebben; in de problemen zitten; niet weten hoe te doen |
| tema-手間 | tijd en moeite |
| tema-手間 | werk dat veel tijd en moeite vergt |
| temadoru-手間取る | meer tijd en moeite kosten dan verwacht |
| temahima-手間暇 | arbeid en tijd; moeite en tijd |
| temashigoto-手間仕事 | werk dat veel tijd en moeite kost; stukwerk |
| temonaku-手もなく | makkelijk; zonder problemen; moeiteloos |
| tenken-天険 | ruig [moeilijk begaanbaar] terrein (als natuurlijke verdediging) |
| tenkūkaikatsu-天空海闊 | heel edelmoedig [vrijgevig] zijn; een edelmoedigheid [vrijgevigheid] zo helder als de lucht en zo groot als de zee |
| tesū-手数 | moeite; last |
| tokusen-督戦 | soldaten aanmoedigen om harder te vechten |
| tsukae-痞え | iets dat op je gemoed drukt; iets dat een zware belasting voor iemand vormt |
| tsukaisaki-使い先 | de plek waar de boodschap heen moet |
| tsukare-疲れ | vermoeidheid; uitputting |
| tsukareru-疲れる | moe worden; vermoeid [uitgeput] zijn [worden; raken] |
| tsukepen-つけペン | schrijfpen; kroontjespen (pen die je in inkt moet dopen om te schrijven) |
| tsukkomu-突っ込む | je neus ergens insteken; zich bemoeien met |
| tsukurigoto-作り事 | vervalsing; namaak; verzinsel; leugen; smoesje; onzin |
| tsukushi-土筆 | een nieuwe scheut [loot] van de heermoes (Equisetum arvense) |
| tsumaminatto-つまみナット | vleugelmoer |
| tsurai-辛い | pijnlijk; moeilijk; zwaar; hartverscheurend; wreed |
| uchishizumu-打ち沈む | gedeprimeerd [ontmoedigd; neerslachtig; terneergeslagen] zijn |
| ukitatsu-浮き立つ | opgewekt zijn; opgebeurd [bemoedigd; opgevrolijkt] worden |
| umagaeshi-馬返し | het punt op een bergpas waar het te steil wordt, waardoor een paard niet meer verder kan en moet omkeren |
| unzarisuru-うんざりする | (onomatopee) ziek [moe] worden van; het zat zijn; tegenstaan; een aversie hebben tegen; tegen de borst stuiten; vervelen |
| uraganashii-心悲しい | weemoedig; verdrietig; triest |
| urutora・shī-ウルトラ・シー | gymnastiekoefening die qua uitvoering moeilijker is dan de norm voor de hoogste van de drie lagere moeilijkheidsgraden |
| usa-憂さ | somberheid; zwaarmoedigheid; droefgeestigheid; neerslachtigheid; melancholie; weemoed |
| wabiru-侘びる | armoedig [armzalig] zijn |
| wabishii-侘しい | armzalig; armoedig; sjofel |
| wakatō-若党 | (Edo periode) jonge volgeling van een samoerai |
| waki-和気 | een vredige [rustige] stemming [gemoedstoestand] |
| waruba-悪場 | (een term uit het bergbeklimmen) een gevaarlijke plek (die moeilijk te beklimmen is) in de bergen |
| wazawaza-態々 | uitdrukkelijk; nadrukkelijk; speciaal; de moeite nemen (om te) |
| wazurawashii-煩わしい | ingewikkeld; moeilijk |
| yachi-谷地 | (In Oost-Japan) laaggelegen moerasgebied |
| yajiuma-野次馬 | nieuwsgierige toeschouwers [omstanders]; sensatiezoekers; ramptoeristen; bemoeials |
| yakamashii-喧しい | luidruchtig; lawaaierig; rumoerig |
| yakedasareru-焼け出される | door brand zijn huis (moeten) verlaten [verliezen] |
| yamakan-山勘 | gis; schatting; vermoeden; intuïtie |
| yasegaman-瘦せ我慢 | het (met moeite) doorstaan [verdragen] |
| yashikibōkō-屋敷奉公 | huisbediende [dienaar] van een feodale heer [samoerai] |
| yashikizutome-屋敷勤め | huisbediende [dienaar] van een feodale heer [samoerai] |
| yassamossa-やっさもっさ | kabaal; rumoer; herrie; gedruis; opschudding |
| yasuragi-安らぎ | (gemoeds)rust; kalmte; vredigheid; sereniteit |
| yasuragu-安らぐ | gemoedsrust hebben; zich op zijn gemak voelen; gerust [zonder zorgen] zijn |
| yatto-やっと | eindelijk (met veel moeite); ten langen leste; uiteindelijk; tenslotte |
| yō-よう | (vervoeging van klassiek Japanse hulpwerkwoorden) om het vermoeden of de wil van de spreker uit te drukken) laten we; ik denk; zou het zo zijn |
| yōbo-養母 | adoptiemoeder |
| yōchūijinbutsu-要注意人物 | verdachte; verdacht persoon; persoon die in de gaten moet worden gehouden |
| yōgisha-容疑者 | verdachte; vermoedelijke dader |
| yōkai-容喙 | bemoeienis; bemoeiing; tussenkomst; interventie |
| yōken-用件 | zaak; kwestie; aangelegenheid; dingen die gedaan moeten worden |
| yokushi-抑止 | afschrikking; ontmoediging |
| yōmaku-羊膜 | vruchtvlies (in baarmoeder bij zwangerschap) |
| yōmu-用務 | af te handelen taak; dingen die gedaan moeten worden |
| yoreyore-よれよれ | (onomatopee) versleten; kaal; armoedig |
| yoriki-与力 | een samoerai van lagere rang (assistent van een militaire aanvoerder) (Muromachi periode) |
| yorokonde-喜んで | met plezier; bereidwillig; blijmoedig; graag |
| yoru-寄る | ontmoeten; bij elkaar komen |
| yōsui-羊水 | vruchtwater (vloeistof in de baarmoeder tijdens zwangerschap) |
| yūbu-勇武 | (helden)moed; dapperheid |
| yūchō-悠長 | rustig [langzaam; weloverwogen; gemoedelijk] zijn |
| yūdan-勇断 | een moedige [daadkrachtige] beslissing [besluit] |
| yūdō-誘導 | aanmoediging; aansporing; begeleiding; beïnvloeding |
| yūgao-夕顔 | maanbloem (Ipomoea alba) |
| yuigadokuson-唯我独尊 | eigenwaan; hoogmoed; verwaandheid |
| yūigi-有意義 | zinvol [belangrijk; de moeite waard] zijn |
| yūjo-宥恕 | vergevingsgezindheid; edelmoedigheid; vrijgevigheid |
| yūkan-勇敢 | moed; dapperheid; onversaagdheid |
| yūki-勇気 | moed; dapperheid; heldhaftigheid; stoutmoedigheid |
| yukiau-行き合う | iemand (toevallig) tegenkomen [tegen het lijf lopen; ontmoeten] |
| yukichigai-行き違い | het elkaar voorbij lopen [passeren] (zonder ontmoeting; contact) |
| yukinoshita-雪の下 | steenbreek; moederplant (Saxifraga stolonifera) |
| yūkizukeru-勇気づける | aanmoedigen; moed inspreken |
| yumiya-弓矢 | samoerai |
| yūsen-勇戦 | dappere [moedige] strijd |
| yūsha-勇者 | moedig [dapper; heldhaftig] persoon |
| yūshi-勇士 | dappere [moedige] krijger [strijder]; held |
| yūsō-勇壮 | moed; heldhaftigheid |
| yūutsu-憂鬱 | melancholie; depressie; droefgeestigheid; zwaarmoedigheid |
| za-挫 | (in kanji combinaties) tegenslag ontmoeten |
| zabon-ザボン | pompelmoes (Citrus maxima) |
| zanmu-残務 | werkachterstand; werk dat is blijven liggen; resterende [ongedane] werkzaamheden; dingen die nog gedaan moeten worden |
| zaruoenai-ざるを得ない | (iets wel) moeten; er zit niets anders op (dan...) |
| zen'inzenka-善因善果 | (boeddh.) goede daden worden beloond; wie goed doet, goed ontmoet |
| zerosamu-ゼロサム | nulsom; nulsomspel (situatie waarbij een voordeel voor de ene partij noodzakelijk moet leiden tot een even groot nadeel voor andere partijen) |
| zerosamugēmu-ゼロサム・ゲーム | nulsom; nulsomspel (situatie waarbij een voordeel voor de ene partij noodzakelijk moet leiden tot een even groot nadeel voor andere partijen) |
| zerowa-ゼロ和 | nulsom; nulsomspel (situatie waarbij een voordeel voor de ene partij noodzakelijk moet leiden tot een even groot nadeel voor andere partijen) |
| zerowagēmu-ゼロ和ゲーム | nulsom; nulsomspel (situatie waarbij een voordeel voor de ene partij noodzakelijk moet leiden tot een even groot nadeel voor andere partijen) |
| zōjōman-増上慢 | (boeddh.) hoogmoed (ten onrechte geloven dat men verlichting heeft bereikt) |
| zōjōman-増上慢 | overmoed; arrogantie; opschepperij |
| zokujinshugi-属人主義 | het principe dat het strafrecht van het land van herkomst van de dader moet worden toegepast, ongeacht waar het misdrijf heeft plaatsgevonden |
| zōritori-草履取り | knecht (van samoerai) belast met schoeisel |
| zoruren-ゾルレン | (wat) zou moeten |
| zuniwairarenai-ずにはいられない | niet kunnen onderdrukken; niets aan kunnen doen; wel moeten |
| zurai-づらい | (achtervoegsel) moeilijk om te ... |