hebben / heb-ben ( ww )
1所有する; 持つ [bezitten]
2含む, 有する; ...がある [bevatten]
Deze kamer heeft twee ramen.
この部屋には窓が二つある。
この部屋には窓が二つある。
3経験する [ervaren]
Kruisverwijzing
hebben
| lemma | meaning |
|---|---|
| aegu-喘ぐ | lijden; te lijden hebben; het moeilijk hebben |
| agumu-倦む | het moe [zat] worden; interesse verliezen; er genoeg van hebben; er geen zin meer in hebben |
| aiboshi-相星 | (sumoworstelaars die) evenveel winst -en verliespartijen hebben als de ander |
| aibosuru-愛慕する | liefhebben; verlangen naar; zich verbonden voelen met; gehecht zijn aan |
| aichō-愛鳥 | liefde voor vogels; het beschermen van (wilde) vogels; het houden van [dol zijn op; interesse hebben in] vogels (in het bijzonder wilde vogels) |
| aigansuru-愛玩する | belangrijk [lief; mooi; waardevol] vinden; liefhebben; liefkozen; aaien |
| aikyōsuru-愛敬する | liefhebben en respecteren [hoogachten] |
| aimamieru-相見える | op audiëntie zijn (bij een vorst); een onderhoud [gesprek] hebben (met een vorst) |
| airensuru-愛憐する | liefde [tederheid; medelijden] hebben [voelen] |
| aisaika-愛妻家 | een liefhebbende [toegewijde] echtgenoot |
| aishiau-愛し合う | van elkaar houden; elkaar liefhebben |
| aishiau-愛し合う | vrijen; seks hebben; de liefde bedrijven |
| aisu-愛す | liefhebben; houden van; beminnen; leuk [aardig; fijn] vinden; dol zijn op; geïnteresseerd zijn in |
| aisuru-愛する | liefhebben; houden van; leuk [aardig; fijn] vinden; dol zijn op; geïnteresseerd zijn in; belangrijk [waardevol] vinden; hoogachten; respect [bewonderi |
| akiaki-飽き飽き | ergens genoeg van hebben; het zat worden |
| akiru-飽きる | genoeg hebben [krijgen] van; iets beu worden |
| aku-飽く | ergens genoeg van hebben; het zat worden; er moe [ziek] van worden |
| akuhei-悪弊 | kwade [corrupte] praktijken [gewoonten] (die slechte gevolgen hebben) |
| akuun-悪運 | het geluk van de duivel hebben; er goed vanaf [mee weg] komen; zwijnen |
| annai-案内 | goed op de hoogte zijn; bepaalde informatie hebben |
| arasagashi-粗探し | kieskeurig zijn; gauw kritiek [aanmerkingen] hebben |
| aru-有る | hebben; bezitten |
| ashitsuki-足付き | (van een voorwerp) het hebben van poten |
| asobu-遊ぶ | spelen; zich amuseren; plezier hebben |
| atari-当たり | beet [vis aan de haak] hebben |
| ataru-当たる | slagen; succes hebben; succesvol zijn; een prijs winnen |
| atatakai-暖かい | vriendelijk; teder; liefhebbend; hartelijk |
| atenige-当て逃げ | het doorrijden [wegvluchten] na een aanrijding te hebben veroorzaakt |
| ateru-当てる | slagen; succes hebben; winnen |
| attakai-暖かい | vriendelijk; teder; liefhebbend; hartelijk |
| au-会う | een onaangename [onwelkome] ontmoeting hebben; iets onaangenaams tegenkomen |
| awadatsu-粟立つ | kippenvel hebben (van kou of angst) |
| awaremu-哀れむ | medelijden hebben met; zielig vinden |
| awasemotsu-併せ持つ | twee dingen [goede en slechte dingen] tegelijkertijd hebben; naast het ene ook het andere hebben |
| azukarishiru-与り知る | op de hoogte zijn van; zich bewust zijn van; beseffen; betrokken zijn bij; te maken hebben met |
| azukaru-与る | deelnemen aan; mee doen met; een aandeel hebben in; betrokken zijn bij |
| banare-場慣れ | ervaring hebben [vertrouwd zijn] met; gewend zijn aan; weten om te gaan met |
| bashauma-馬車馬 | (fig.) oogkleppen op hebben; iets onverstoorbaar doen zonder afgeleid te worden door bijzaken |
| bō-忙 | het druk hebben; geen vrije tijd hebben |
| bo-慕 | (in kanji combinaties) verlangen; nostalgie; liefhebben; gehecht zijn aan; bewonderen |
| bodaiju-菩提樹 | Bodhiboom, Ficus religiosa (oorspronkelijk uit India; onder deze boom zou Boeddha de verlichting bereikt hebben) |
| bunkakunshō-文化勲章 | Japanse Orde van Culturele Verdienste (onderscheiding voor mensen die een bijdrage hebben geleverd aan behoud en ontwikkeling van de cultuur) |
| chakuyō-着用 | het dragen; aanhebben; aankleden |
| channeruken-チャンネル権 | het gezag [de rechten] hebben over de (tv) kanalen |
| chichikuru-乳繰る | een geheime liefdesaffaire hebben (met) |
| chigiru-契る | gemeenschap hebben; het bed delen (met) |
| chinichi-知日 | goede kennis hebben van Japan; goed op de hoogte zijn van Japanse zaken |
| chinka-鎮火 | het onder controle hebben van de brand [de brand meester zijn] |
| chōaisuru-寵愛する | sympathie [genegenheid] hebben; liefhebben; beschermen; (iem.) protegeren |
| chūgen-中元 | zomergeschenk (veel Japanners geven tijdens het Obon festival geschenken aan mensen die het afgelopen half jaar veel voor hen hebben betekend) |
| daiichininsha-第一人者 | de hoogstgeplaatste [meest gezaghebbende] persoon; degene met de hoogste rang; de leidende [invloedrijkste] persoon (op een bepaald gebied) |
| daikirai-大嫌い | een sterke afkeer [hekel] hebben; verafschuwen; haten |
| dakuon-濁音 | stemhebbende medeklinker in het Japans |
| dakuonpu-濁音符 | het (dubbele aanhalings)teken gebruikt voor een stemhebbende medeklinker in het Japans |
| dakuten-濁点 | het (dubbele aanhalings)teken gebruikt voor een stemhebbende medeklinker in het Japans |
| dōjōsuru-同情する | meevoelen; invoelen; medelijden [compassie] hebben |
| dokkaika-読解力 | goede leesvaardigheid hebben; goed begrijpend kunnen lezen; |
| dokuryō-読了 | het klaar zijn met lezen; (iets) uitgelezen hebben |
| dōshin-同心 | concentriciteit (hetzelfde middelpunt hebben) |
| egokoro-絵心 | zin hebben in schilderen [om schilderijen te maken] |
| enjoi-エンジョイ | genieten; plezier hebben |
| eragaru-偉がる | verwaand zijn; een hoge dunk van jezelf hebben |
| fukidokuritsu-不羈独立 | vrij en onafhankelijk zijn; een vrije en onafhankelijke geest hebben |
| fukitobasu-吹き飛ばす | een grote mond hebben; opscheppen |
| fukōtsuzuki-不幸続き | opeenvolging van tegenslagen; het voortdurend pech hebben |
| fundarikettari-踏んだり蹴ったり | een reeks van tegenslagen en rampen; de ene tegenslag na het andere (hebben) |
| furītā-フリーター | freeter, Japanse uitdrukking voor mensen (meestal jongeren) die geen vaste baan hebben maar (wisselende) parttime baantjes |
| fusokusuru-不足する | tekort [gebrek] hebben [krijgen] (aan iets) |
| gachi-勝ち | (als suffix achter zelfst.naamwoorden of de renyōkeivorm van werkwoorden) de neiging hebben om; iets frequent [vaak] doen |
| gakuji-学事 | schoolzaken; onderwijszaken (zaken die betrekking hebben op academische studies of schoolonderwijs) |
| gan'yūsuru-含有する | (een ingrediënt) bevatten [in zich hebben] |
| garami-搦み | ongeveer; zoiets als; gerelateerd aan; te maken hebbend met |
| geijutsukahada-芸術家肌 | een artistieke aard [aanleg] hebben; er schuilt een kunstenaar in (hem; haar) |
| geki-劇 | (het) druk (hebben) |
| gekkōsuru-激昂する | opvliegend [heetgebakerd] zijn; een kort lontje hebben; snel aangebrand zijn |
| gerupin-ゲルピン | gebrek aan geld (hebben) |
| gotatsuku-ごたつく | in de problemen zitten; ruzie hebben [maken] |
| gotetsuku-ごてつく | in de problemen zitten; ruzie hebben [maken] |
| gūyū-偶有 | toevallige eigenschap; bij toeval een bepaalde eigenschap [vaardigheid] hebben |
| gūyūsei-偶有性 | toevallige eigenschap; bij toeval een bepaalde eigenschap [vaardigheid] hebben |
| gyūjiru-牛耳る | controleren, aanvoeren; domineren; de leiding hebben; (fig.) aan het roer staan |
| habakiki-幅利き | het macht [invloed] hebben |
| hadakaikkan-裸一貫 | niets hebben; blut zijn |
| hairu-入る | geïnstalleerd worden; (ergens) in zitten [ingekomen zijn]; een inhoud hebben (van); bevatten |
| hanashikomu-話し込む | een lang gesprek hebben (met iem.); een gesprek aangaan (met) |
| hanekaeru-跳ね返る | omkeren; terugkeren; terugkaatsen, terugveren; impact [repercussie] hebben |
| harapeko-腹ぺこ | het erge honger hebben; rammelen van de honger |
| hashiru-走る | zich wenden tot; een sterke neiging hebben tot; zich storten in |
| hataraku-働く | werken; functioneren; resultaat [effect] hebben |
| hataraku-働く | werken; een baan hebben; zwoegen; ploeteren |
| hatten-発展 | de ontwikkeling in de relatie (tussen man en vrouw); een losbandig leven leiden; een actief sex leven hebben |
| hayaben-早弁 | eten voor de eigenlijke lunchtijd (bij scholieren vooral, om een langere middagpauze te hebben) |
| hiasobi-火遊び | het flirten; versieren; een verhouding hebben |
| hibiku-響く | effect hebben; indruk maken; beïnvloeden |
| hiekisuru-裨益する | ten goede komen; baat hebben; voordeel halen; profiteren |
| hige-卑下 | zelfverachting; een lage dunk van jezelf hebben; nederigheid; onderdanigheid |
| hikiiru-率いる | aanvoeren; de leiding [het commando] hebben over |
| hikitsuru-引き攣る | krampen [zenuwtrekkingen] hebben |
| hikkei-必携 | iets dat onmisbaar [essentieel] is; iets dat je moet hebben |
| hikken-必見 | iets dat je gezien moet hebben |
| hissageru-引っ提げる | (iets) in de hand hebben [meenemen; dragen] |
| hitokurō-一苦労 | moeilijke tijd; het moeilijk hebben |
| hitoribotchi-独りぼっち | alleenlevend [solitair] zijn; het rijk alleen hebben; |
| hitoributai-一人舞台 | alleen de leiding [regie] hebben; veruit de beste zijn |
| hitto-ヒット | beet hebben (bij het vissen) |
| hōkai-抱懐 | het koesteren [hebben; erop na houden] van een gedachte, mening, etc |
| hōkōonchi-方向音痴 | geen richtingsgevoel hebben; iem. zonder richtingsgevoel |
| hokusoemu-ほくそ笑む | in zichzelf grinniken; gniffelen; een binnenpretje hebben |
| hōmu-法務 | zaken die te maken hebben met de boeddhistische leer |
| hoshii-欲しい | wensen; verlangen; willen (hebben) |
| ietsuki-家付き | een eigen huis hebben; aan een huis verbonden zijn; bij een huis behorend; bij een familie intrekken |
| iiateru-言い当てる | het goed raden; het bij het rechte eind hebben |
| iikaesu-言い返す | antwoorden; terugzeggen; een weerwoord hebben |
| iikawasu-言い交わす | een gesprek hebben met; gedachten wisselen met; beloftes uitwisselen |
| iinagara-言いながら | met deze woorden; dit gezegd hebbende |
| ikamonogui-如何物食い | een vreemde voorkeur (voor iets) hebben; een vreemde [bizarre] smaak hebben |
| ingaidan-院外団 | leden van een politieke partij die geen zetel hebben in het parlement |
| iru-居る | hebben; bezitten |
| iru-要る | nodig zijn; nodig hebben |
| isseifūbi-一世風靡 | de heerschappij voeren; overwicht [controle] hebben op de gedachten van mensen |
| isūsei-異数性 | aneuploïdie (het hebben van een afwijkend aantal chromosomen) |
| itamu-痛む | pijn hebben; (pijn) lijden; pijn doen; kwetsen; pijnlijk zijn |
| itosuru-意図する | van plan zijn; als doel hebben |
| itsukushimu-慈しむ | houden van; liefhebben |
| iyagaru-嫌がる | een hekel [afkeer; tegenzin] hebben (om iets te doen) |
| izon-異存 | andersdenkend zijn; een andere [afwijkende] mening hebben; het oneens zijn (met iem.) |
| jain-邪淫 | (boeddh.) overspel; het hebben van een buitenechtelijke relatie |
| jakushō-弱小 | zwak zijn; weinig kracht hebben |
| jifu-慈父 | zorgzame [liefhebbende] vader |
| jishakabushikishutokuken-自社株式取得権 | het recht hebben om eigen aandelen te verwerven |
| jiyūjizai-自由自在 | vrij [onbelemmerd; onbeperkt] zijn; de controle hebben (over) |
| jōban-上番 | het dienst hebben; in dienst [functie] zijn |
| jūgyōinmochikabuseido-従業員持ち株制度 | het systeem dat werknemers aandelen in de zaak (waar ze werken) kunnen hebben |
| kaban-下番 | het geen dienst hebben; buiten dienst [functie] zijn |
| kagehinata-陰日向 | oneerlijkheid; onoprechtheid; twee kanten hebben |
| kaitenkyūgyō-開店休業 | (van een winkel) open zijn maar bijna geen klandizie [klanten] hebben |
| kajiru-齧る | beperkte kennis hebben van (iets) |
| kajō-渦状 | spiraalvormig [kolkvormig] zijn; de vorm [toestand] van een draaikolk hebben |
| kakaeru-抱える | iets in bezit hebben |
| kakaeru-抱える | iets in je armen houden [dragen]; ergens mee zitten; bezorgd zijn; (een last) op de schouders hebben (fig.) |
| kakawaru-関わる | zich bezig houden met; te maken hebben met |
| kakazuriau-拘り合う | verwikkeld zijn in; te maken hebben met |
| kakemochi-掛け持ち | het hebben van twee verschillende (parttime) banen |
| kamaeru-構える | een bepaalde houding aannemen (b.v. ter verdediging); gereed hebben; bij de hand hebben; klaar staan (om te); voorbereiden |
| kamau-構う | rekening houden met; aandacht hebben voor; (iets kunnen) schelen |
| kan-管 | controleren; de supervisie hebben; toezicht houden |
| kanashimu-悲しむ | berouwen; spijt hebben (van) |
| kanezumari-金詰まり | geldgebrek; (te) weinig geld hebben |
| kankeisuru-関係する | gerelateerd zijn aan; betrekkingen hebben; verwant zijn |
| kanpasuru-看破する | doorzien; doorhebben; in de gaten hebben; (iemands) gedachten lezen |
| karate-空手 | (met) lege handen; zonder iets in handen (te hebben) |
| kasha-火車 | (boeddh.) vuurwagen (vervoert dode mensen die tijdens hun leven slechte daden hebben begaan naar de hel) |
| kawaku-渇く | dorst hebben |
| kegirai-毛嫌い | een (instinctive) hekel [afkeer] hebben; bevooroordeeld zijn |
| kenasu-貶す | afkraken; afbrekende kritiek hebben op; kleineren |
| kenkenfukuyō-拳拳服膺 | altijd in gedachten houden; in het geheugen gegrift hebben |
| kenkin-兼勤 | een extra functie [positie] hebben |
| kenryokusha-権力者 | een machtige [invloedrijke; gezaghebbende] persoon |
| kikitogameru-聞き咎める | terechtwijzen; berispen; aanmerkingen hebben (op); in twijfel trekken (wat iemand zegt) |
| kiku-利く | effect hebben; effectief zijn; goed zijn voor |
| kimekomu-決め込む | zich inbeelden; een hoge dunk van zichzelf hebben; doen alsof |
| kininaru-気になる | zin hebben in [om]; geneigd zijn om |
| kinōgo-機能語 | woorden die alleen een grammaticale (geen semantische) functie hebben |
| kinori-気乗り | geïnteresseerd zijn (in); zin hebben om iets te doen; enthousiasme |
| kirai-嫌い | hekel hebben; tegenstaan; vies vinden (van eten) |
| kirau-嫌う | iemand [iets] haten; een hekel hebben aan iemand [iets] |
| kisuru-期する | verwachten; hopen; uitkijken naar; rekenen op; voorzien; een voorgevoel hebben; aan zien komen |
| kizuku-気づく | opmerken; bemerken; beseffen; in de gaten hebben |
| kodakusan-子だくさん | veel kinderen hebben |
| kōdoku-購読 | het kopen en lezen van boeken, kranten, tijdschriften e.d.; een abonnement hebben (op een krant of tijdschrift) |
| kōdokusuru-購読する | boeken, kranten, tijdschriften e.d. kopen en lezen; een abonnement hebben (op een krant of tijdschrift) |
| kōkaisuru-後悔する | betreuren; berouwen; spijt hebben |
| kokorogakeru-心がける | streven naar; pogen; willen; op het oog hebben |
| kokuji-酷似 | het hebben van een sterke gelijkenis; het veel op elkaar lijken |
| konjuhōshō-紺綬褒章 | medaille met donkerblauw lint (een prestigieuze Japanse eremedaille voor weldoeners die grote sommen geld hebben gedoneerd voor het algemeen welzijn) |
| kotokaku-事欠く | tekort komen, gebrek hebben aan; missen; ontberen |
| kotonakareshugi-事勿れ主義 | (houding van) de dingen op zijn beloop laten; geen slapende honden wakker maken (een passieve houding hebben t.o.v.problemen i.p.v. ze aan te pakken) |
| kōzairyō-好材料 | gunstige voorwaarden, die een positief effect hebben op de beurs; een hausse |
| kuchizamishii-口寂しい | (lett. eenzame mond) hongerig zijn; trek [zin] hebben (in eten, een sigaret, etc.) |
| kuiage-食い上げ | je baan verliezen; geen inkomsten meer hebben; niet meer in je levensonderhoud kunnen voorzien |
| kuiakiru-食い飽きる | overeten; teveel gegeten hebben; vol zitten; niet meer lusten |
| kuiaratameru-悔い改める | berouw hebben; tot inkeer komen; een nieuw begin maken; met een schone lei beginnen |
| kuide-食いで | genoeg gegeten hebben; vol zitten |
| kuiru-悔いる | betreuren; spijt [berouw] hebben (van) |
| kuitarinai-食い足りない | niet genoeg gegeten hebben; nog hongerig zijn |
| kuraimake-位負け | het onwaardig zijn aan [niet de kwaliteiten hebben voor] zijn titel [positie]; tekort schieten |
| kuraimakesuru-位負けする | niet de kwaliteiten hebben voor zijn titel [positie]; tekort schieten |
| kushi-駆使 | vrije beschikking (hebben over); gebruik naar eigen goeddunken |
| kuwaeru-銜える | iets in de mond (tussen de tanden of lippen) houden [hebben; nemen] |
| kuwashii-詳しい | goed geïnformeerd [ingevoerd] zijn, veel kennis hebben |
| kuwazugirai-食わず嫌い | iets niet lusten zonder het ooit geproefd te hebben; een instinctieve afkeer [vooroordeel] hebben; niet bereid zijn iets (eerst) te proberen |
| kuyamu-悔やむ | betreuren; spijt betuigen; spijt hebben |
| kyōjiru-興じる | zich amuseren; plezier hebben |
| kyōju-享受 | het genieten van; hebben; bezitten (b.v. gezondheid, vrijheid) |
| kyōtsū-共通 | (iets) gemeen [gemeenschappelijk] hebben |
| kyūsuru-窮する | arm worden; tot armoede vervallen; geldgebrek hebben |
| makegirai-負け嫌い | een hekel hebben aan verliezen; altijd willen winnen; competitief zijn |
| makekosu-負け越す | meer verliezen hebben dan overwinningen |
| makezugirai-負けず嫌い | een hekel hebben aan verliezen; altijd willen winnen; competitief zijn |
| mappiragomen-真っ平御免 | botte weigering; genoeg hebben van |
| maruhadaka-丸裸 | geen bezittingen meer hebben; alles kwijtgeraakt zijn |
| matou-纏う | dragen; aanhebben; aantrekken; ingepakt zijn; gehuld zijn (in) |
| matsuwaru-纏わる | verband houden met; te maken hebben met |
| mawashi-回し | groepsseks; van een prostituee het in één nacht seks met meerdere klanten achter elkaar hebben |
| meromero-めろめろ | een zacht ei(tje); een slappeling; een zwak hebben voor iemand |
| metsubushi-目潰し | iets (zand, stof, as, etc.) in je ogen hebben |
| mezasu-目指す | mikken op; op het oog hebben; in gedachten hebben |
| mezumari-目詰まり | iets (stof, vuiltje, etc.) in je ogen hebben |
| miakiru-見飽きる | genoeg hebben van (het kijken naar) iets; iets niet (langer) meer willen zien |
| miharasu-見晴らす | uitkijken (op; over); overzien; een mooi uitzicht hebben |
| miharukasu-見晴るかす | uitkijken (op; over); overzien; een mooi uitzicht hebben |
| mikaeru-見変える | iets anders (ver)kiezen [liever hebben]; stoppen en iets anders gaan doen |
| mikaku-味覚 | een fijne [scherpe] smaak hebben; (verschillende smaken) goed kunnen proeven |
| mikiri-見切り | opgave; verzaking; in de steek laten; genoeg hebben van |
| mimizatoi-耳聡い | een scherp [goed] gehoor hebbend |
| minju-民需 | behoeften van particulieren; producten of diensten die particulieren nodig hebben |
| misugara-身すがら | niets (bij je) hebben [bezitten (behalve je lichaam) |
| misugosu-見過ごす | over het hoofd zien; niet opmerken; niet in de gaten hebben |
| misumisu-見す見す | vlak onder je ogen; waar je bij stond; niet wetend [doorhebbend] |
| mitogameru-見咎める | betwijfelen; in twijfel trekken; iets aan te merken hebben |
| mitoosu-見通す | een vrij [ononderbroken] uitzicht hebben over; vrij zicht hebben op |
| mizubara-水腹 | een volle buik door teveel water gedronken te hebben |
| mochiawase-持ち合わせ | (geld) bij zich (hebben); in voorraad |
| mochiawaseru-持ち合わせる | (toevallig) bij zich hebben |
| mōkeru-儲ける | een kind verwekken; een kind krijgen [hebben] |
| morau-貰う | verzoeken; nemen; willen hebben |
| motsu-持つ | bezitten; hebben |
| motsu-持つ | (in de hand) dragen [houden]; bij zich hebben; vasthouden; vastgrijpen |
| museki-無籍 | statenloos zijn; geen nationaliteit hebben |
| musen-無銭 | zonder geld; geen geld hebben; geen geld nodig hebben |
| mushoku-無職 | werkeloos [zonder werk] zijn; geen baan [beroep] hebben |
| mute-無手 | niets in de handen [blote handen] hebben |
| muyoku-無欲 | geen verlangens hebben; onzelfzuchtig zijn; vrij van hebzucht zijn |
| nagabanashisuru-長話する | lang praten; een lang gesprek voeren [hebben] (met) |
| nagai-長い | een groot uithoudingsvermogen hebben; het lang volhouden; geen haast hebben |
| nagaraeru-長らえる | lang leven; een lang leven hebben |
| nagarazoku-ながら族 | mensen (leeringen; studenten) die de gewoonte hebben tijdens het studeren te luisteren naar muziek, radio enz. |
| nageku-嘆く | treuren; verdriet hebben; weeklagen; rouwen; wenen |
| nai-無い | niet hebben; niet bezitten; ontbreken |
| nakiharasu-泣き腫らす | huilen tot je ogen rood [gezwollen] zijn; tranen met tuiten huilen; opgezwollen ogen van het huilen hebben |
| nakinureru-泣き濡れる | tranen in de ogen hebben; doordrenkt van tranen zijn |
| nakusu-無くす | geen wilskracht [zin] meer hebben; het opgeven |
| nareru-慣れる | gewend zijn aan; wennen aan; ervaring hebben [krijgen] met; eigen maken [worden] |
| narihibiku-鳴り響く | een goede reputatie hebben; algemeen bekend zijn |
| natsujikan-夏時間 | zomertijd (in de zomer wordt de klok 1 uur vooruitgezet om meer profijt te hebben van het lange licht) |
| natsumakesuru-夏負けする | last hebben van [lijden onder] de zomerhitte |
| nigate-苦手 | afkeer [angst] hebben voor |
| nigate-苦手 | mysterieuze [genezende] krachten in de handen hebben |
| nigirikobushi-握り拳 | met lege handen staan; geen geld op zak hebben; met blote handen [ongewapend] zijn |
| nigoru-濁る | een stemhebbende klank hebben |
| nikayou-似通う | erg veel lijken op; veel overeenkomsten hebben met |
| nikuzuki-肉付き | vlezig [vet] zijn; vlees aan het lichaam hebben |
| nirami-睨み | gezag; autoriteit; invloed (over iets hebben) |
| niru-似る | lijken (op); gelijkenis hebben (met); eruit zien (als) |
| nisokunowaraji-二足の草鞋 | (lett. twee paar strosandalen dragen) twee petten op hebben; twee ijzers in het vuur hebben |
| nōhittonōran-ノーヒットノーラン | (honkbal) een wedstrijd waarin geen van beide teams een honkslag hebben geslagen |
| nozomu-望む | uitkijken op [over]; zicht hebben op |
| ōjuhōshō-黄綬褒章 | Medaille met het gele lint, Japanse nationale onderscheiding (voor mensen die zich hebben onderscheiden in landbouw, handel, industrie, e.d.) |
| okadochigai-お門違い | naar het verkeerde adres [huis; gebouw] gaan; het bij het verkeerde eind hebben |
| okugata-奥方 | bij krijgsadel het woongedeelte waar de vrouwen hun verblijf hebben |
| okumuki-奥向き | (zaken die te maken hebben met) het huishouden (zoals de financiën van het huishouden) |
| okureru-遅れる | (te) laat [later] komen; (te) laat zijn; vertraging hebben |
| omoiagaru-思い上がる | verwaand zijn; een (te) hoge dunk van zichzelf hebben |
| onchi-音痴 | geen gevoel hebben (voor); ergens slecht in zijn |
| ooatari-大当たり | de grote prijs winnen; veel succes hebben; een klapper maken; een grote hit scoren |
| oozukami-大掴み | een globaal (beeld hebben); ruwe [algemene] (details) |
| oriau-折り合う | goed overweg kunnen met (elkaar); goede relatie [verstandhouding] hebben met |
| paa-ぱあ | blut zijn; niets meer hebben |
| piipii-ぴいぴい | diarree hebben |
| punpun-ぷんぷん | (onomatopee) sterk ruikend; een scherpe lucht hebbend |
| randebūsuru-ランデブーする | een rendez-vous [afspraak(je)] hebben |
| rendaku-連濁 | (Japanse morfonologie) opeenvolgende stemvoering: een stemloze klank wordt stemhebbend in een combinatie van woorden, b,v, はな (花) + ひ (火) = はなび (花火) |
| rikaisuru-理解する | begrijpen; bevatten; doorhebben; inzien |
| ryōnagare-両流れ | dakstijl voor de hoofdschrijn van een shinto heiligdom (waarbij de dakranden (voor-achter of links-rechts) glooiingen hebben aan beide zijden) |
| ryōnagarezukuri-両流造 | dakstijl voor de hoofdschrijn van een shinto heiligdom (waarbij de dakranden (voor-achter of links-rechts) glooiingen hebben aan beide zijden) |
| sakaeru-栄える | voorspoed hebben; succes hebben; floreren |
| samugari-寒がり | het koud hebben; koukleumen; kouwelijk zijn |
| samui-寒い | koud (hebben; zijn) |
| sankaku-参画 | deelname aan de planning; een aandeel hebben in een plan |
| sassuru-察する | meeleven; te doen hebben (met) |
| seibaisūsei-正倍数性 | euploïdie (het hebben van een complete set chromosomen) |
| seigan-晴眼 | (goed) kunnen zien; goede [scherpe] ogen hebben |
| seisatsuyodatsu-生殺与奪 | de volledige controle hebben (over leven of dood) |
| seiteki-性的 | betrekking hebbend op geslacht |
| seitsū-精通 | het goed bekend [geïnformeerd] zijn; diepgaande kennis hebben (van) |
| sekiageru-咳き上げる | een hoestbui hebben; constant hoesten; ophoesten |
| sekikomu-咳き込む | hevig hoesten; een hoestbui hebben [krijgen] |
| semegu-鬩ぐ | ruzie maken; bekvechten; onenigheid hebben |
| shinkensha-親権者 | ouderlijk gezaghebbende; voogd; wettelijk vertegenwoordiger |
| shiyō-使用 | (iem.) in dienst hebben |
| shiyōsuru-使用する | (iem.) in dienst hebben |
| shōbi-焦眉 | spoed hebben; dringend zijn |
| shōchisuru-承知する | kennis [besef] hebben (van) |
| shōgaichishi-傷害致死 | doodslag; mishandeling de dood ten gevolge hebbend |
| shoji-所持 | bezit; het (iets) bij zich dragen [hebben] |
| shokushō-食傷 | oververzadiging; het teveel (dezelfde dingen) eten; genoeg hebben [beroerd worden] van veel hetzelfde eten [horen] |
| shōyoku-小欲 | weinig verlangens hebben; niet erg hebzuchtig zijn |
| shoyūsuru-所有する | bezitten; in eigendom hebben |
| shozainai-所在ない | zich vervelen; niets te doen hebben |
| shusseuo-出世魚 | vissen die een verschillende namen hebben al naar gelang hun grootte en ouderdom |
| shuzen-鬚髯 | een baard [bakkebaard; snor] (hebben) |
| sōsharu・hakkingu-ソーシャル・ハッキング | sociaal hacken; het op grote schaal beïnvloeden van het gedrag en standpunten van mensen (zonder dat ze het door hebben) (Engels: social hacking) |
| tabezugirai-食べず嫌い | een (instinctieve) hekel hebben aan een bepaald soort voedsel; iets niet lusten zonder het ooit geproefd te hebben |
| tadoru-辿る | oorsprong hebben in; teruggaan [terugvoeren] tot |
| taibutsu-対物 | betreffende [betrekking hebbende op] dingen [voorwerpen] |
| taijin-対人 | betreffende [betrekking hebbend op] mensen |
| taikan-諦観 | (boeddh.) duidelijk [helder] inzicht (hebben) in de waarheid [de essentie van zaken en omstandigheden] |
| tainō-怠納 | (het hebben van) een betalingsachterstand; achterstallige betaling; het in gebreke blijven |
| taiyoku-大欲 | veel verlangens hebben; hebzuchtig zijn |
| tajitatan-多事多端 | het erg druk hebben; veel werk hebben; veelbewogenheid |
| tannin-担任 | de leiding hebben over een bepaalde klas (of een bepaald vak) op school |
| tanoshimu-楽しむ | (ergens van) genieten; plezier hebben; zich amuseren |
| tantō-担当 | het de leiding hebben; verantwoordelijk zijn |
| tantōsuru-担当する | de leiding hebben; verantwoordelijk zijn |
| tasseikan-達成感 | voldaan gevoel; gevoel van voldoening; gevoel succes [iets bereikt] te hebben |
| tayō-多用 | het druk hebben; veel dingen te doen hebben |
| tazai-多罪 | schuldig zijn aan veel dingen; veel zonden hebben |
| tazusaeru-携える | in de hand(en) dragen [hebben]; bij zich dragen [hebben] |
| teaki-手明き | ongebondenheid; niet druk hebben; ontspanning |
| teba-てば | (als introductie aan het begin van een zin) nu we het daar toch over hebben; wat betreft |
| tebanare-手離れ | (van een kind) het niet meer constante zorg van de moeder nodig hebben |
| tegai-手飼い | een huisdier hebben |
| teikan-諦観 | (boeddh.) duidelijk [helder] inzicht (hebben) in de waarheid [de essentie van zaken en omstandigheden] |
| tekozuru-手子摺る | het moeilijk hebben; in de problemen zitten; niet weten hoe te doen |
| tekuse-手癖 | diefachtig zijn; lange vingers hebben (fig.) |
| temochi-手持ち | in voorraad hebben; bij de hand hebben |
| temochibusata-手持ち無沙汰 | niets te doen hebben; niets om handen hebben; zich vervelen |
| tesuki-手隙 | vrije tijd hebben; geen werk hebben; niet bezig zijn |
| tōgyosuru-統御する | heersen; regeren; besturen; controle hebben (over) |
| tokuren-得恋 | een succesvolle liefdesrelatie; een romantische relatie hebben |
| tonchakusuru-頓着する | bezorgd zijn (over); aandacht hebben (voor); attent zijn |
| toriau-取り合う | betreffen; betrekking hebben (op); samenhangen (met) |
| torimusubu-取り結ぶ | (bij iemand) in de gunst proberen te komen; een goede relatie hebben (met) |
| torishikiru-取り仕切る | een zaak runnen; alles zelf regelen; alles onder controle hebben |
| torishimaru-取り締まる | onder controle hebben; beheren; toezicht houden (op) |
| tōro-当路 | gezaghebbende positie |
| totsugu-嫁ぐ | (arch.) geslachtsgemeenschap hebben |
| tsubomu-蕾む | in de knop staan; knoppen hebben; ontluiken |
| tsūgyō-通暁 | een grondige kennis hebben (van); goed geïnformeerd zijn |
| tsukaeru-支える | een drukkend gevoel op de borst hebben, zich bedrukt voelen (door verdriet of zorgen) |
| tsukiau-付き合う | omgaan met; relatie hebben met; gezelschap houden |
| tsunagaru-繋がる | een band hebben met; gelinkt zijn aan; verbonden [verwant] zijn met |
| tsureru-攣れる | kramp hebben [krijgen]; verkrampen |
| tsūtatsu-通達 | vakkundigheid; bekwaamheid; veel kennis [begrip] hebben |
| tteba-ってば | (als introductie aan het begin van een zin) nu we het daar toch over hebben; wat betreft |
| ueru-飢える | hongerig zijn; honger hebben; honger lijden |
| unasareru-魘される | een nachtmerrie hebben; geluiden maken terwijl je slaapt; onrustig slapen |
| unzarisuru-うんざりする | (onomatopee) ziek [moe] worden van; het zat zijn; tegenstaan; een aversie hebben tegen; tegen de borst stuiten; vervelen |
| uraomote-裏表 | twee gezichten hebben; hypocriet zijn |
| ureeru-憂える | rouwen; treuren; weeklagen; verdriet hebben |
| ureeru-憂える | vrezen; zich zorgen maken; angst hebben |
| urouronamida-うろうろ涙 | geagiteerde tranen in de ogen hebben |
| wakachiau-分かち合う | (iets met iemand) delen; (iets) gemeen hebben (met iemand) |
| wakudeki-惑溺 | verslaving; een zwak hebben (voor) |
| waruyoi-悪酔い | een kwade dronk hebben; wild en slecht gedrag o.i.v. sterke drank |
| wazawaisuru-災いする | problemen veroorzaken; slecht invloed hebben; kwaad doen |
| wazurau-患う | ziek worden; last hebben van; lijden aan |
| yadosu-宿す | bevatten; omvatten; huisvesten; in zich hebben |
| yamijiru-闇汁 | een winters vermaak, waarbij een nabe-soep wordt gemaakt met ingrediënten die bezoekers hebben meegenomen, en die soep wordt in het donker opgegeten |
| yamikin'yū-闇金融 | geldtransacties door bedrijven of organisaties, die daarvoor geen wettelijke toestemming hebben; transacties met een niet wettelijk bepaalde rente |
| yaminabe-闇鍋 | een winters vermaak, waarbij een nabe-soep wordt gemaakt met ingrediënten die bezoekers hebben meegenomen, en die soep wordt in het donker opgegeten |
| yaseude-瘦せ腕 | weinig levenskracht en vaardigheden hebben |
| yasui-安い | intiem; een intieme relatie hebben. |
| yasuragu-安らぐ | gemoedsrust hebben; zich op zijn gemak voelen; gerust [zonder zorgen] zijn |
| yoigokochi-酔い心地 | aangeschoten [in een roes] zijn; een vrolijke dronk (hebben) |
| yōsu-要す | vereisen; vergen; nodig zijn [hebben] |
| yōsuru-要する | vereisen; vergen; nodig zijn [hebben] |
| yūi-有意 | betekenis hebben; betekenisvol [veelbetekenend; significant] zijn |
| yūkan-有閑 | het veel vrije tijd [ontspanning] hebben |
| yūsei-有声 | vocaal; stemhebbend zijn |
| yūseion-有声音 | stemhebbende klank |
| yūsenteki-優先的 | voorkeurs-; voorkeur hebbend; bevoorrecht; preferentieel |
| yūshoku-有職 | een baan [werk] hebben; een beroep uitoefenen |
| yūsuru-有する | hebben; bezitten; uitgerust zijn met |
| yutori-ゆとり | genoeg tijd [tijd over] (hebben) |
| zaieki-在役 | een taak [missie] hebben |
| zau-座右 | (rechts) naast zich; bij de hand (hebben) |
| zayū-座右 | (rechts) naast zich; bij de hand (hebben) |
| zekku-絶句 | het stoppen met praten; geen woorden (ervoor) hebben; met de mond vol tanden staan |
| zenshō-全勝 | alle wedstrijden gewonnen hebben; het behalen van een volledige overwinning zonder verliespunten |
| zonchi-存知 | het kennis hebben van; goed weten |
| zonji-存じ | het kennis hebben van; goed weten |