Kruisverwijzing
kleding
| lemma | meaning |
|---|---|
| afutanūn・doresu-アフタヌーン・ドレス | nette vrijetijdskleding |
| ai-合い | tussenseizoen (lente- of herfst) kleding |
| aibī・rukku-アイビー・ルック | Ivy League is een stijl van (heren)kleding (populair aan het einde van de jaren 1950) |
| aibī・sutairu-アイビー・スタイル | Ivy League is een stijl van (heren)kleding (populair aan het einde van de jaren 1950) |
| aifuku-合服 | kleding voor de tussenseizoenen (lente en herfst) |
| aigi-合着 | kleding voor de tussenseizoenen (lente en herfst) |
| akabikari-垢光り | glimmende plek op kleding (door aangekoekt vuil) |
| akui-悪衣 | eenvoudige [armoedige] kleding |
| amagi-雨着 | regenjas; regenkleding |
| amimono-編み物 | breiwerk; gebreide stof; gebreid kledingstuk |
| anko-餡こ | vulling (van kussen, kleding, e.d.) |
| apareru-アパレル | kleding; gewaad; kleren |
| aparerugyōkai-アパレル業界 | de kleding industrie |
| asejimiru-汗染みる | zweetvlekken [zweetplekken] (in kleding) krijgen |
| atataka-暖か | warm zijn (kleding, etc.) |
| ate-当て | dekkleed; bekleding; hoes; vulling |
| atenuno-当て布 | een voering (stof, kleding, etc.) |
| atsugi-厚着 | dikke [warme] kleding (dragen) |
| atsushi-あつし | kleding gemaakt van iepenschors (traditioneel gedragen door de Ainu in Japan) |
| autā-アウター | bovenkleding |
| autāuea-アウターウェア | bovenkleding |
| ayanishiki-綾錦 | mooie kleding; prachtige (herfst)kleuren |
| bābarī-バーバリー | (kledingmerk) Burberry regenjas |
| bagī・rukku-バギー・ルック | slobberige [hobbezakkerige] stijl van kleding |
| bea・toppu-ベア・トップ | (kleding) mouwloos met blote schouders |
| bebe-べべ | kleding in kindertaal |
| bifuku-美服 | mooie kleding; nette kleren |
| bikini-ビキニ | bikini (zwemkleding) |
| bisō-美装 | mooie kleding; het zich mooi [elegant] kleden presenteren]; iets mooi aankleden; verfraaien |
| bodīsūtsu-ボディースーツ | bodysuit (kledingstuk dat nauw om het lichaam sluit); damesondergoed dat uit 1 stuk bestaat |
| borero-ボレロ | bolero (kledingstuk) |
| bui・nekku-ブイ・ネック | V-hals (kleding) |
| bukabuka-ぶかぶか | slobberig (van kleding) |
| bukubuku-ぶくぶく | dik; opgeblazen (door kleding) |
| chaku-着 | wordt gebruikt bij het tellen van kledingstukken |
| chakue-着衣 | de kleding die men draagt |
| chakue-着衣 | (arch.) het aantrekken [dragen] van kleding |
| chakui-着衣 | het aantrekken [dragen] van kleding |
| chakui-着衣 | de kleding die men draagt |
| chami-茶味 | elegante stijl [kleding] |
| chi-乳 | lus (op een haori kledingstuk) |
| chogori-チョゴリ | traditioneel Koreaanse kleding |
| chōshū-長袖 | (kleding met) lange mouwen |
| dansō-男装 | het dragen van mannenkleding (door een vrouw) |
| datsue-脱衣 | (arch.) het (zich) uitkleden; ontkleding |
| datsui-脱衣 | het (zich) uitkleden; ontkleding |
| dekiai-出来合い | kant-en-klaar product [artikel]; confectiekleding |
| dinā・doresu-ディナー・ドレス | avondjurk; avondkleding |
| dorai・kurīningu-ドライ・クリーニング | stomerij; (kleding) stomen [chemisch reinigen] |
| doresu-ドレス | jurk; kleding |
| doroppu・shorudā-ドロップ・ショルダー | (van kleding) een lage mouwinzet (Engels: dropped shoulder) |
| doyōboshi-土用干し | het buiten luchten van kleding (in de zomer) |
| ērain-エーライン | A-lijn, kledingsilhouet |
| eriaka-襟垢 | vuil op de kraag van een kledingstuk |
| eriguri-襟刳り | halslijn (van kleding) |
| esu-エス | (aanduiding voor kledingmaat) small |
| fankī-ファンキー | excentriek; buitenissig (kleding, e.d.) |
| fitto-フィット | (precies) passen (van kleding) |
| fōmaru・doresu-フォーマル・ドレス | vormelijke kleding; avondkleding; galakleding |
| fudangi-普段着 | alledaagse [gewone; informele] kleding |
| fujinfuku-婦人服 | dameskleding |
| fuku-服 | kleding; kleren |
| fukushoku-服飾 | kleding en accessoires |
| fukusō-服装 | kleding [kostuums] en accessoires |
| fukusuru-服する | (kleding, een zwaard, e.d.) dragen |
| fukuyō-服用 | het dragen van kleren; kleding |
| furea-フレア | (van kleding) het klokken; uitwaaieren |
| furiru-フリル | ruche; sierstrook; volant (aan kleding) |
| furīsaizu-フリーサイズ | (Eng.: free size) één (beschikbare) maat voor iedereen (kleding) |
| furugi-古着 | oude [tweedehands; gebruikte] kleding; afdragertje(s); afdankertje(s) |
| futokoro-懐 | binnenzak; borstzak; binnenste gedeelte van bovenkleding |
| fuyufuku-冬服 | winterkleding; winterkleren |
| fuyumono-冬物 | winterkleding; winter artikelen |
| gi-着 | (in kanji combinaties) kleding; kledingstuk |
| gogan-護岸 | dijkbekleding; dijkbescherming |
| gyazā-ギャザー | (bij het maken van kleding) plooisel; smokwerk |
| gyoi-御衣 | (respectvolle term voor) kleding van een keizer [vorst; edelman]; keizerlijke gewaden |
| hadaki-肌着 | ondergoed (kleding die direct op de huid wordt gedragen) |
| hāfumeido-ハーフメイド | kleding die nog niet klaar is, op maat wordt gemaakt en pas na bestelling wordt afgewerkt |
| haikara-ハイカラ | (lett. hoge boord) (kleding) in westerse stijl [mode] |
| hainekku-ハイネック | (bij de hals) hooggesloten (kleding) |
| hakama-袴 | een hakama, traditioneel Japans kledingstuk voor mannen (wijde broek) |
| haku-佩く | (kleding, schoenen, e.d.) dragen; aandoen |
| hansode-半袖 | korte mouw(en) (kleding) |
| haori-羽織 | kledingstuk die men over een kimono draagt als jasje |
| haresugata-晴れ姿 | gekleed in zijn [haar] mooiste [formele] kleding |
| harugi-春着 | lentekleding; Nieuwjaars kimono |
| hausudoresu-ハウスドレス | makkelijk zittende kleding voor thuis |
| hausu・manukan-ハウス・マヌカン | verkoopster in een kledingzaak die zelf ook de kleding uit de winkel draagt |
| hayagawari-早変わり | eesnelle transformatie [grdaanteverandering]; metamorfose; snelle omkleding (van kostuum) |
| heifuku-平服 | gewone [dagelijkse; informele] kleding |
| hifuku-被服 | kleding |
| hitatare-直垂 | traditionele Japanse kleding (oorspronkelijk de werkkleding van het gewone volk, later, vanaf de Muromachi periode, gedragen door de samoerai) |
| hitodama-人魂 | een (kleding)rekwisiet bij Kabuki om de illusie te wekken dat men door de lucht vliegt |
| hiyoku-比翼 | gulpsluiting (van kleding) |
| hiyoku-比翼 | een ongevoerd kledingstuk met alleen voering langs mouwen en kraag |
| hiyokushitate-比翼仕立て | gulpsluiting (van kleding) |
| hōe-法衣 | religieuze kleding; priestergewaad |
| hokku-ホック | haak(je) (voor het dichtmaken van kleding) |
| hokku-ホック | drukknoop (voor het dichtmaken van kleding) |
| hōmu・doresu-ホーム・ドレス | makkelijk zittende kleding voor thuis |
| horutānekku-ホルターネック | halterlijn (kleding) |
| ifuku-衣服 | kleding; kledingstuk; kleren |
| ījī・kea-イージー・ケア | (ge)makkelijk te onderhouden (meestal gebruikt voor stoffen van kleding) |
| ījī・ōdā-イージー・オーダー | goedkopere maatkleding |
| ikan-衣冠 | kleding en kroon |
| ikan-衣冠 | (afk. voor) informele hofkleding (voor mannen) |
| ikansokutai-衣冠束帯 | (Heian-periode) informele hofkleding (voor mannen) |
| ikō-衣桁 | kledingrek (specifiek voor kimono's) |
| innā-インナー | onderkleding; ondergoed |
| innāuea-インナーウェア | onderkleding; ondergoed |
| insaido・beruto-インサイド・ベルト | binnenriem; ceintuur die aan de binnenkant van kleding wordt gedragen |
| iroage-色揚げ | het opnieuw verven (voor nieuwe kleur of opfrissen van vaal geworden kleding) |
| iromono-色物 | gekleurde stoffen [kleding] |
| ironaoshi-色直し | het wisselen van kleding [kostuum] tijdens gelegenheden zoals een huwelijk |
| ironaoshi-色直し | het opnieuw verven [kleuren] van stof [kleding] |
| iryō-衣料 | kleding |
| iryō-衣糧 | kleding en voedsel |
| iryōhin-衣料品 | kledingstukken; kleren |
| ishō-衣装 | kleding; broek; rok; kimono |
| ishō-衣装 | kostuum; toneelkleding |
| ishoku-衣食 | kleding en voedsel |
| ittan-一端 | kledingstuk voor een volwassene |
| jājī-ジャージー | jersey (kledingstuk) |
| jire-ジレ | gilet; vest (kledingstuk) |
| jirē-ジレー | gilet; vest (kledingstuk) |
| jonin-叙任 | ambtsbekleding; investituur; (plechtige) inhuldiging |
| josō-女装 | het dragen van vrouwenkleding (door een man) |
| juban-襦袢 | onderkleding; ondergoed |
| kagihokku-鉤ホック | haak en oog (voor het dichtmaken van kleding) |
| kaisuigi-海水着 | zwemkleding; badpak; zwembroek |
| kajuaru・uea-カジュアル・ウエア | informele kleding; vrijetijdskleding |
| kakusode-角袖 | Japanse kleding (kimono) |
| kakusode-角袖 | (Meiji-tijdperk) een officier [agent] in burgerkleding |
| kantanfuku-簡単服 | gemakkelijk zittende (informele) kleding; lichte [luchtige] (zomer)kleding |
| kantorī・uea-カントリー・ウエア | kleding die geschikt is om op het platteland te dragen |
| karakami-唐紙 | kleurcombinatie in een kledingstuk (wit aan de buitenzIjde, geel aan de binnenzijde) |
| karigi-借り着 | geleende [gehuurde] kleding |
| kariginu-狩衣 | informele kleding van de hofadel in de Heian periode (oorspronkelijk gedragen tijdens de jacht) |
| kasanegi-重ね着 | kleding in lagen over elkaar; gelaagde kleding |
| katabira-帷子 | ongevoerde (dunne) kleding |
| katagami-型紙 | papieren knippatroon (voor het maken van kleding) |
| katami-片身 | één kant [de helft] van een kledingstuk |
| kateigi-家庭着 | makkelijk zittende kleding voor thuis |
| kattosō-カットソー | kleding gemaakt van jersey stof |
| kawagoromo-皮衣 | bontjas; kleding gemaakt van bont [dierenvel] |
| kazukeru-被ける | iemand een kledingstuk schenken |
| kessoku-結束 | het dragen [aandoen; aantrekken; aangespen] van kleding en wapenrusting |
| kidōraku-着道楽 | voorliefde [voorkeur] voor mooie kleding en sieraden |
| kigokochi-着心地 | draagcomfort (van kleding) |
| kikomu-着込む | zich extra kleden; verschillende lagen kleding over elkaar dragen; formele kleding dragen |
| kikonasu-着こなす | zich smaakvol [elegant] kleden; kleding stijvol [flatterend] dragen |
| kikuningyō-菊人形 | decoratieve pop waarvan de kleding is gemaakt van verse chrysanten |
| kikuzusu-着崩す | formele kleding losser [stijlvoller] dragen |
| kimawashi-着回し | het combineren van kleding en accessoires |
| kimono-着物 | kimono (Japanse kledingstuk) |
| kinuorimono-絹織物 | zijden stoffen [kleding] |
| kiru-着る | aantrekken [dragen] (van kleding, vanaf de schouders) |
| kitsuke-着付け | Kabuki kledingstuk (m.n. bovenkleding) |
| kitsuke-着付け | Nō kledingstuk (m.n. onderkleding) |
| kōdinētosuru-コーディネートする | coördineren; rangschikken; in harmonie brengen [bij elkaar zoeken] (van kleding en accessoires |
| kodomofuku-子供服 | kinderkleding |
| koiguchi-鯉口 | kledingstuk (met lange mouwen) dat ter bescherming over de kimono gedragen wordt bij huishoudelijk werk |
| koin・rokkā-コイン・ロッカー | locker [kastje] (voor kleding, bagage, e.d.) met muntslot [slot met muntinworp] |
| kokui-黒衣 | zwarte kleding; zwarte jurk |
| koromo-衣 | kleding(stuk); kleren |
| kosāju-コサージュ | corsage (bloemendecoratie gedragen op kleding) |
| koshimaki-腰巻き | Japanse onderkleding onder vrouwenkostuums gedragen in Nō-theater |
| kuīnsaizu-クイーンサイズ | een standaard maat voor bedden en kleding (tussen kingsize en normaal in) |
| kurīningu-クリーニング | (kleding) stomen [chemisch reinigen] |
| kuroshōzoku-黒装束 | zwarte kleding |
| kyōnokidaore-京の着倒れ | zichzelf financieel ruïneren door te veel kleding te kopen (wordt gezegd over mensen in Kyoto) |
| machigi-街着 | stadskleding; straatmode; kleding die geschikt is om in de stad te dragen |
| maeaki-前開き | (bij kleding) opening (en sluiting) aan de voorkant |
| maemigoro-前見頃 | voorpand (van Japanse kleding) |
| maeushiro-前後ろ | achterstevoren; (voor- en achterkant omgekeerd (van kleding) |
| makishi-マキシ | (kleding) maxi (lange rok, jurk, jas, etc.) |
| marin・rukku-マリン・ルック | maritieme look (kledingstijl) |
| marukubi-丸首 | (van kleding) ronde (kraagloze) hals; col |
| mesaifuku-迷彩服 | camouflagekleding; camouflagepak |
| migoro-身頃 | het lijfje [de romp] van een kledingstuk |
| migoshirae-身拵え | kleding; outfit; uitrusting |
| mihaba-身幅 | breedte [wijdte] van een kledingstuk |
| mijitaku-身支度 | aankleding; uitrusting; aangekleed zijn |
| minari-身形 | manier [stijl] van kleding |
| mōdo-モード | mode (kleding); stijl; trend |
| mofuku-喪服 | rouwkleding |
| mokkori-もっこり | het uitpuilen [opbollen] van iets uit kleding of zakken |
| morigaaru-森ガール | zachte, losse [wijde] stijl van vrouwenkleding (met als thema een meisje in het bos); meisje dat zulke kleding draagt |
| mukabaki-行縢 | (his.) een van herten- of berenbont gemaakte beenbekleding (voor krijgers bij het paardrijden of de valkenjacht) |
| mūmū-ムームー | muu-muu (Hawaïaanse kleding) |
| musō-無双 | een kledingstuk dat ook binnenstebuiten gedragen kan worden |
| nagabitsu-長櫃 | langwerpige kist [koffer] (voor kleding, huisraad, etc.) |
| nagamochi-長持 | een rechthoekige houten opbergkist (meestal gebruikt voor kleding) |
| nagasode-長袖 | (kleding met) lange mouwen |
| natsugoromo-夏衣 | zomerkleding |
| natsumono-夏物 | dingen die je in de zomer gebruikt [nodig hebt]; zomerspullen; zomerkleding |
| natsuobi-夏帯 | een obi (soort ceintuur) voor de zomerkleding |
| nēbī・rukku-ネービー・ルック | (Eng.: navy look) kleding met kenmerken van een marine uniform (vooral in de kleur marineblauw) |
| nishiki-錦 | mooie kleding |
| nitto-ニット | breiwerk; gebreide stof; gebreid kledingstuk |
| nittowea-ニットウェア | gebreide kleding |
| norizuke-糊付け | het plakken [lijmen]; het stijven (van kleding) |
| nō・surību-ノー・スリーブ | mouwloos; mouwloze kleding |
| obishin-帯芯 | een kledingstuk (m.n. van katoen) gedragen onder de obi (Japanse gordel) als opvulling bij een (dames)kimono |
| ofuru-お古 | afdankertje; tweedehands kleding |
| ohatsu-お初 | iets nieuws; de eerste van het jaar of seizoen; gloednieuw (b.v. van kleding) |
| okimono-置物 | iets dat aan kleding wordt bevestigd ter versiering |
| orikomu-折り込む | invoegen; naar binnen vouwen; plooien; zomen (kleding) |
| oroshi-下ろし | het gebruiken van nieuwe voorwerpen [gereedschappen; kleding] |
| osagari-お下がり | afdankertje; afleggertje (van kledingstukken, speelgoed, e.d.)\ |
| oshikise-御仕着せ | uniform; werkkleding |
| pajama-パジャマ | pyjama (nachtkleding) |
| paripari-ぱりぱり | (onomatopee) knapperig; krokant; knisperend; ritselend; scheurend; fonkelnieuw [strak gesteven] (van kleding); levendig; energiek |
| pijama-ピジャマ | pyjama (nachtkleding) |
| pureta・porute-プレタ・ポルテ | confectiekleding |
| reinuea-レインウェア | regenkleding |
| rejā・uea-レジャー・ウエア | vrijetijdskleding |
| ronpāsu-ロンパース | (kinderkleding) romper; kruippakje |
| rō・uesuto-ロー・ウエスト | (kleding) lage taille |
| ryakufuku-略服 | alledaagse [informele] kleding |
| ryosō-旅装 | reiskleding |
| sagyōfuku-作業服 | werkkleding; overall |
| sagyōgi-作業着 | werkkleding; overall |
| samue-作務衣 | samue, werkkleding van Japanse boeddhistische monniken (tegenwoordig ook gedragen als vrijetijds- of werkkleding) |
| sarī-サリー | sari, Indiaas kledingstuk voor vrouwen |
| saron-サロン | sarong (Indonesisch kledingstuk) |
| seifuku-制服 | uniform (kleding) |
| seisō-正装 | galakleding; gala-tenue; gala-uniform |
| separētsu-セパレーツ | (dames)kleding die uit afzonderlijke delen bestaat, zodat ze combineerbaar zijn (en apart kunnen worden gekocht) |
| sētā-セーター | trui (kledingstuk) |
| shāringu-シャーリング | smokwerk (kleding) |
| shīchingu-シーチング | plaatwerk; metalen bekleding |
| shifuku-私服 | burgerkleding; in burger; in civiel |
| shinnaimaku-心内膜 | endocardium; endocarp (binnenbekleding van het hart) |
| shinshifuku-紳士服 | herenkleding |
| shinsō-新装 | verbouwing; herinrichting; renovatie; nieuwe opstelling [uitrusting; aankleding] |
| shiroshōzoku-白装束 | witte kleding |
| shīsu・shiruetto-シース・シルエット | recht [nauwsluitend] silhouet (van kleding) |
| shitagi-下着 | ondergoed; onderkleding |
| shitaku-支度 | aankleding; kostuum |
| shitamae-下前 | binnenste pand van een kledingstuk dat om het lichaam wordt gewikkeld (b.v. kimono) |
| shitami-下見 | beschot; houten buitenbekleding (van een gebouw) |
| shōzoku-装束 | kleding; kledij; kostuum |
| shūi-襲衣 | bovenkleding; de buitenste laag van (traditionele) kleding |
| sodenashi-袖なし | mouwloos; mouwloze kleding |
| sodenashi-袖無し | mouwloos; zonder mouwen; mouwloze kleding |
| sodetsuke-袖付け | een mouw aan een kledingstuk naaien; het armsgat; de mouwnaad |
| sodeyama-袖山 | mouwkop; mouwinzet (Westerse kleding) |
| sodeyama-袖山 | bovenste plooi (in bergvorm) van een mouw (Japanse traditionele kleding) |
| sōfuku-僧服 | kleding(stuk) [habijt] van een (boeddhistische) priester |
| sofuku-粗服 | eenvoudige [armoedige; sjofele] kleding |
| sokkusu-ソックス | sokken (kleding) |
| soroi-揃い | (kleding) set; complet; pak; kostuum |
| sōsharu・uea-ソーシャル・ウエア | kleding die gedragen wordt buiten het kantoor indien men persoonlijk met het publiek moet communiceren (Engels: social wear) |
| sugata-姿 | (in) kleding [kostuum] |
| sunappu-スナップ | drukknoop (kleding; knipsluiting) |
| suru-する | dragen (van kleding) |
| suso-裾 | (van kleding) zoom; manchet |
| susomoyō-裾模様 | decoratief patroon op de onderrand van een kimono [kledingstuk] |
| tabijitaku-旅支度 | reiskleding |
| tabisugata-旅姿 | (traditioneel Japanse) reiskleding |
| taisōgi-体操着 | gymkleding; gymnastiekkleding |
| takeuma-竹馬 | (afk. voor) tweedehands kledingwinkel (Edo-periode) |
| takeumafurugiya-竹馬古着屋 | (in de Edo-periode een rondreizende koopman met kleding op stokken) tweedehands kledingwinkel |
| takishimeru-焚き染める | (kleding, etc.) parfumeren door het branden van wierook |
| takku-タック | (gestikte) plooi (kleding) |
| tanku・toppu-タンク・トップ | (kleding) topje; mouwloos T-shirt |
| taun'uea-タウンウエア | stadskleding; (nette) kleding die geschikt is om in de stad te dragen |
| tengai-天蓋 | decoratieve bekleding over een altaar |
| tī・bakku-ティー・バック | een T-back; een kledingstuk (b.h., bikini, etc.) met bandjes in T vorm |
| tī・pī・ō-ティー・ピー・オー | passende kleding voor de tijd, plaats en gelegenheid |
| tōga-トーガ | tabbaard; toga (kledingstuk; oorspronkelijk uit het oude Rome) |
| toppuresu-トップレス | vrouwenkleding [zwemkleding, e.d.) waarbij het bovenlichaam bloot is |
| toppusu-トップス | topje; kledingstuk voor het bovenlichaam |
| toraddo-トラッド | (traditionele) kleding; klederdracht |
| torikotto-トリコット | tricot; gebreide stof; gebreide kleding |
| torimingu-トリミング | randen afknippen (bij kleding) |
| tsukeru-着ける | aantrekken; dragen (kleding, e.d.) |
| tsukesage-付け下げ | een methode om patronen op Japanse kleding aan te brengen (de patronen wijzen naar boven tot de schouders) |
| tsukurou-繕う | (uiterlijk, haar, kleding etc.) verzorgen ; netjes maken |
| tsumamiarai-摘み洗い | alleen het vuile gedeelte (van een kledingstuk) wassen |
| tsuzura-葛籠 | rieten (kleding)mand |
| ubugi-産着 | babykleding (voor een pasgeboren baby) |
| uchibutokoro-内懐 | binnenzak (in kleding) |
| uchigi-袿 | (Heian periode) hofkleding |
| uchigi-袿 | formele onderkleding met wijde mouwen voor mannen |
| uea-ウエア | kleding (Eng.: wear) |
| ugatsu-穿つ | (arch.) kleding aandoen |
| uraji-裏地 | voering(stof); (binnen)bekleding |
| uranuno-裏布 | voering (van kleding) |
| urauchi-裏打ち | voering [kleding]; versteviging [versterking] via de achterzijde van papier, textiel, leer, e.d. |
| urauchi-裏打ち | hofkleding dat aan de achterzijde wordt gedragen |
| ushirohaba-後ろ幅 | (bij Japanse kleding) de rugbreedte |
| ushiromigoro-後身頃 | achterpand (van Japanse kleding) |
| usugi-薄着 | lichte kleding (dragen); dun gekleed (gaan) |
| uwabari-上張り | bekleding; behang; bedekking (van schuifdeuren, plafonds, muren, e.d.) |
| uwabari-上張り | overjas; bovenkleding |
| uwagi-上着 | bovenkleding; jas |
| wādorōbu-ワードローブ | kledingkast |
| wādorōbu-ワードローブ | garderobe (alle kleding van iemand) |
| wafuku-和服 | Japanse kleding; kimono |
| wan・pīsu-ワン・ピース | eendelig kledingstuk (jurk) |
| wan・pointo-ワン・ポイント | slechts één patroon of decoratie van borduurwerk op kleding |
| wasai-和裁 | Japanse kleermakerij; het maken van Japanse kleding [kimono] |
| wasō-和装 | Japanse kleding; kimono; het dragen van Japanse kleding |
| wataire-綿入れ | kledingstuk met katoenen vulling; gewatteerde kleding |
| yagu-夜具 | beddengoed (futons, lakens, dekens, nachtkleding, e.d.) |
| yakeana-焼け穴 | brandgat (in kleding) |
| yakekoge-焼け焦げ | brandgat (in kleding, door sigaret); schroeiplek |
| yamagaaru-山ガール | praktische sport- of bergkleding voor vrouwen; vrouw die bergtochten maakt in zulke kleding |
| yōfuku-洋服 | westerse kleding (kostuum; jurk) |
| yōhin-洋品 | westerse artikelen (veelal kleding, accessoires, cosmetica, etc.) |
| yudooshi-湯通し | het weken van stof [kleding] in lauw water (om zacht te maken) |
| zenmon-禅門 | iemand die formeel boeddhist wordt (inclusief scheren van het hoofdhaar en voorgeschreven kleding) |
| zundō-寸胴 | cilindervorm; (menselijke figuur) zonder taille; (kleding) zonder mouwen |
| zuriagaru-ずり上がる | omhoog glijden; opkruipen (van kleding) |