ruiken / rui-ken ( ww )
1におう (匂う) ; かおる; におい (匂い) がする;かおりがする
ジョンさんの家は何故か、いつでもチーズの匂いがする。
In Johns huis ruikt het op de een of andere manier altijd naar kaas.
2においを [ruiken aan]
花の匂いを嗅ぐのが大好きだ。
Ik hou ervan om aan bloemen te ruiken.