pijp / pijp ( de (m/v) | znw. | pijpen )
1管; パイプ [buis]
2パイプ [rookgerei]
een pijp vullen met tabak
パイプにたばこをつめる
パイプにたばこをつめる
3脚部 [broekspijp]
4棒状のもの [cilindervorm]
Kruisverwijzing
pijp
| lemma | meaning |
|---|---|
| amaashi-雨脚 | stromende regen (met ononderbroken strepen, als pijpenstelen); stortregen |
| amadoi-雨樋 | goot; regenpijp |
| ameashi-雨脚 | stromende regen (met ononderbroken strepen, als pijpenstelen); stortregen |
| ashibue-葦笛 | rietpijp; rietfluit |
| berubotomu-ベルボトム | (strakke) broek met wijd uitlopende pijpen |
| berubotomu・pantsu-ベルボトム・パンツ | (strakke) broek met wijd uitlopende pijpen |
| chūbu-チューブ | tube; pijp; slang; tube |
| dakuto-ダクト | buis; pijpleiding |
| dokan-土管 | afvoerbuis; afvoerpijp |
| dōsuikan-導水管 | waterleiding; waterpijp |
| enbikan-塩ビ管 | pvc-buis; pvc-pijp |
| enbipaipu-塩ビパイプ | pvc-buis; pvc-pijp |
| fue-笛 | blaasinstrument; fluit; pijp |
| fukiya-吹き矢 | blaaspijp; blaasroer |
| gaikei-外径 | buitenste diameter; buitenwerkse maat (van een buis, pijp, etc.) |
| gankubi-雁首 | (zoals de vorm van de nek van een wilde gans) de hals [kop] van een Japanse pijp; gebogen buis [pijp]; zwanenhals (van een buis) |
| gasukan-ガス管 | gaspijp; gasleiding |
| hidama-火玉 | brandend hoopje tabak in een pijpenkop |
| hizara-火皿 | de kop van een pijp |
| hōsu-ホース | rubber of plastic slang [buis; pijp] om vloeistoffen of gas te transporteren (b.v. tuinslang) |
| hoya-海鞘 | zakpijp (in zee levend manteldier, Ascidiacea) |
| ichikyo-一渠 | kanaal voor watertoevoer; waterpijp; waterbuis |
| judōkitsuen-受動喫煙 | het meeroken; passief roken (de rook inhaleren van de sigaret, sigaar of pijp van een ander) |
| kan-管 | buis; pijp |
| kikan-気管 | trachea; luchtpijp |
| kinō-気囊 | een zakvormig deel van de luchtpijp van een insect |
| kiseru-キセル | traditionele Japanse tabakspijp |
| kokkan-骨幹 | (anatomie) dialyse (schacht van het pijpbeen) |
| kuda-管 | (afk. voor) (muziekinstrument) pijpfluit (kleine buisvormige fluit die op het slagveld wordt gebruikt) |
| kuda-管 | pijp; buis; koker |
| kudanofue-管の笛 | (muziekinstrument) pijpfluit (kleine buisvormige fluit die op het slagveld wordt gebruikt) |
| madorosu・paipu-マドロス・パイプ | matrozenpijp, een (tabaks)pijp met een grote kop en gebogen steel (werd vaak door zeelui gebruikt) |
| naikei-内径 | binnenste diameter; binnenwerkse maat (van een buis; pijp, etc.) |
| nodobue-喉笛 | de luchtpijp; glottis |
| nōdōkitsuen-能動喫煙 | het actief roken (de rook inhaleren van je eigen sigaret, sigaar of pijp) |
| odorasu-踊らす | manipuleren; (fig.) aan de touwtjes trekken; iemand laten doen wat je wilt; iemand naar je pijpen laten dansen |
| paipu-パイプ | buis; pijp |
| paipuorugan-パイプオルガン | pijporgel |
| paipurain-パイプライン | pijpleiding; pijplijn |
| paipu・orugan-パイプ・オルガン | pijporgel (muziekinstrument) |
| pairētsu・pantsu-パイレーツ・パンツ | piratenbroek (met broekspijpen onder de knie of driekwartlengte) |
| passhibu・sumōkingu-パッシブ・スモーキング | het meeroken; passief roken (de rook inhaleren van de sigaret, sigaar of pijp van een ander) |
| porienkabinirukan-ポリ塩化ビニル管 | pvc-buis; pvc-pijp |
| rao-ラオ | bamboebuisje dat de ganzenhals van een kiseru (tabakspijp) verbindt met het mondstuk (oorspronkelijk werd hiervoor bamboe uit Laos gebruikt) |
| rau-ラウ | bamboebuisje dat de ganzenhals van een kiseru (tabakspijp) verbindt met het mondstuk (oorspronkelijk werd hiervoor bamboe uit Laos gebruikt) |
| shakkotsu-尺骨 | ellepijp |
| suidōkan-水道管 | waterpijp; waterleiding |
| suikan-吹管 | blaaspijp |
| sukinī-スキニー | mager; dun; smalle pijpen (van een broek) |
| surippu-スリップ | onderbroek (zonder pijpen) |
| takezutsu-竹筒 | bamboebuis; bamboepijp |
| tekkan-鉄管 | een ijzeren pijp [buis; staaf] |
| tsunbo-聾 | het verstopt zitten van een kiseru (pijp) |
| ukyaku-雨脚 | stromende regen (met ononderbroken strepen, als pijpenstelen); stortregen |
| yanisagaru-脂下がる | een pijp schuin roken (met de kop naar boven gericht zodat teer in de mond loopt) |
| yoshibue-葦笛 | rietpijp; rietfluit |