| ando-安堵 | opluchting; geruststelling; respijt |
| ashikarazu-悪しからず | neemt u mij niet kwalijk; het spijt mij |
| atara-可惜 | helaas; spijtig; betreurenswaardig |
| hinikunotan-髀肉の嘆 | spijt over het verspillen van tijd; het betreuren van het niets doen |
| kaikon-悔恨 | spijt; berouw; wroeging |
| kaishun-改悛 | berouw; spijt |
| kanashimu-悲しむ | berouwen; spijt hebben (van) |
| kōkai-後悔 | spijt; berouw |
| kōkaisuru-後悔する | betreuren; berouwen; spijt hebben |
| kokorogurushii-心苦しい | meelevend; medelijdend; pijnlijk; spijtig |
| kokoronokori-心残り | spijt; berouw |
| konji-恨事 | een betreurenswaardige aangelegenheid [zaak]; wrok; spijt; berouw |
| kuchioshii-口惜しい | ergerlijk; irritant; vervelend; spijtig; betreurenswaardig; jammerlijk |
| kui-悔い | spijt; berouw; wroeging; inkeer |
| kuiru-悔いる | betreuren; spijt [berouw] hebben (van) |
| kuyamu-悔やむ | betreuren; spijt betuigen; spijt hebben |
| miren-未練 | blijvende [kwijnende] affectie [genegenheid]; niet willen opgeven; niet kunnen loslaten; spijt |
| mōshiwakenai-申し訳ない | het spijt mij zeer; ik voel mij bezwaard; verontschuldiging; dank voor uw hulp |
| omachidoosama-お待ち遠様 | het spijt me dat ik u heb laten wachten; sorry [bedankt] voor het wachten |
| oshige-惜しげ | tegenzin; spijt; terughoudendheid |
| oshii-惜しい | spijtig; betreurenswaardig; teleurstellend |
| osoreirimasu-恐れ入ります | het spijt mij; sorry |
| shasuru-謝する | excuseren; verontschuldigen; spijt betuigen |
| sumanai-済まない | het spijt mij; vergeef (het) mij; dank u |
| sumimasen-済みません | het spijt mij; vergeef (het) mij; dank u |
| tsukaeru-支える | (knielend) je handen voor je op de grond leggen (als groet, of voor het betonen van eer of spijt) |
| warui-悪い | armzalig; spijtig |
| zange-懺悔 | berouw; schuldbesef; spijt; wroeging |
| zannen-残念 | jammer; spijtig |