Kruisverwijzing
ongeluk
| lemma | meaning |
|---|---|
| akubi-悪日 | een ongeluksdag; een kwade [slechte] dag; een dag met slechte voortekenen |
| akuhō-悪報 | (boeddh.) straf [ongeluk; pech] als gevolg van slechte daden |
| akuji-悪事 | een tegenvaller; tegenslag; ongeluk(je) |
| akujin-悪神 | kwade [ongeluk brengende] goden |
| akunichi-悪日 | een ongeluksdag; een kwade [slechte] dag; een dag met slechte voortekenen |
| akushidento-アクシデント | ongeluk |
| ankensatsu-暗剣殺 | één van de richtingen [kompas-punten] in de Chinese astrologie; een noodlottige [ongeluk brengende] richting |
| anrakkī-アンラッキー | onfortuinlijk; ongelukkig |
| atariya-当たり屋 | iemand die zich opzettelijk een ongeluk laat overkomen (om schadegeld te claimen) |
| atoyaku-後厄 | het jaar na de kritieke leeftijd [periode]; het jaar na het ongeluksjaar |
| ayamatte-誤って | per ongeluk; per abuis; bij vergissing |
| betsujō-別条 | tegenslag; tegenvaller; ongeluk(je) |
| daikyō-大凶 | grote pech [tegenslag; tegenspoed]; veel ongeluk |
| dainan-大難 | grote ramp; ernstig ongeluk; calamiteit |
| fuito-ふいと | plotseling; onverwacht; toevallig; per ongeluk |
| fukitsu-不吉 | ongeluk; pech; slecht voorteken |
| fukō-不幸 | ongeluk; ellende; tegenslag; pech; ongelukkigheid |
| fusagari-塞がり | slechte [ongelukbrengende} richting |
| fushiawase-不幸せ | ongeluk; ellende; tegenslag; pech; ongelukkigheid |
| fuun-不運 | tegenslag; pech; tegenspoed; ongeluk |
| gakidō-餓鬼道 | Het rijk van de hongerige geesten (een van de ongelukkige rijken van wedergeboorte in de boeddhistische cyclus van bestaan) |
| genba-現場 | plaats waar iets is gebeurd (b.v. een misdrijf of ongeluk) |
| genbahozon-現場保存 | het beschermen [bewaren; intact houden] van de plaats van een misdrijf of ongeluk |
| genbakenshō-現場検証 | (politie)onderzoek ter plaatse (van een misdrijf of ongeluk) |
| genbashūhen-現場周辺 | directe omgeving van de plaats van een misdrijf of ongeluk |
| genjō-現場 | plaats waar iets is gebeurd (b.v. een misdrijf of ongeluk) |
| gonan-御難 | ongeluk; ramp(spoed); calamiteit |
| hakarazumo-図らずも | onverwacht; toevallig; per ongeluk |
| hakumei-薄命 | tegenslag; tegenspoed; ongeluk; droevig lot |
| hashinakumo-端無くも | onverwacht; toevallig; per ongeluk |
| henji-変事 | ongeluk; noodgeval; onverwachte gebeurtenis |
| hiun-非運 | pech; tegenslag; ongeluk |
| hōjū-放獣 | het vangen van een dier (b.v. een beer) en elders (in een natuurgebied) uitzetten; het per ongeluk vangen van een dier en weer vrijlaten; bijvangst |
| hyotto-ひょっと | mogelijk; misschien; toevallig; onbedoeld; per ongeluk |
| imon-慰問 | bezoek (uit medeleven) aan een ongelukkig persoon of iemand die het moeilijk heeft |
| imonsuru-慰問する | (uit medeleven) een ongelukkig persoon of iemand die het moeilijk heeft bezoeken |
| isamiashi-勇み足 | bij sumo(worstelen) een tegenstander naar de rand van de ring brengen maar dan per ongeluk zelf uit de ring stappen |
| ishitsu-遺失 | verlies; vergetelheid; het verliezen; vergeten; (per ongeluk) achterlaten (b.v. een paraplu in de bioscoop) |
| jiko-事故 | (verkeers)ongeluk |
| jinkusu-ジンクス | vloek; ongeluksbode |
| kafuku-禍福 | geluk en ongeluk; voor- en tegenspoed; goed en kwaad; wel en wee |
| kega-怪我 | ongeval; ongeluk; fout |
| kikkyō-吉凶 | geluk of ongeluk; het (nood)lot |
| koikaze-恋風 | (lett. liefdeswind) een woord dat wordt gebruikt om uit te drukken een ongelukkige liefde (liefde die bekoeld wordt door de wind) |
| kōtsūjiko-交通事故 | verkeersongeluk |
| kyōjitsu-凶日 | een ongeluksdag; een kwade [slechte] dag; een dag met slechte voortekenen |
| kyūseki-休戚 | vreugde en verdriet; geluk en ongeluk |
| maeyaku-前厄 | het jaar voorafgaand aan de kritieke leeftijd [periode]; het jaar voor het ongeluksjaar |
| magagoto-禍言 | onheilspellende [ongeluk brengende] woorden |
| muchiuchi-鞭打ち | (afk. voor) whiplash; zweepslag (t.g.v. een auto-ongeluk e.d.) |
| muchiuchishō-鞭打ち症 | whiplash; zweepslag (t.g.v. een auto-ongeluk e.d.) |
| nan-難 | ongeluk; ongeval |
| oriashiku-折悪しく | helaas; ongelegen; slecht uitkomend; op een ongelukkig moment; jammer genoeg |
| pororito-ぽろりと | per ongeluk [onbedoeld] (iets onthullen, laten vallen, b.v. een geheim) |
| rōdōsaigai-労働災害 | arbeidsongeval; ongeluk op [tijdens] het werk |
| saika-災禍 | (natuur)ramp; catastrofe; calamiteit; onheil; ongeluk |
| sainan-災難 | ramp; ellende; onheil; ongeluk |
| saiyaku-災厄 | ramp; ellende; onheil; ongeluk |
| sakki-数奇 | ongeluk; tegenspoed; tegenslag; pech |
| senshō-先勝 | (volgens de oude maankalender) de dagen die in de ochtend als geluksdagen worden aangemerkt, maar in de middag als ongeluksdagen |
| shakkō-赤口 | (in de traditionele kalender) ongeluksdag; dag die ongeluk brengt behalve tussen de gunstige uren van 11 uur tot 13 uur |
| shakku-赤口 | (in de traditionele kalender) ongeluksdag; dag die ongeluk brengt behalve tussen de gunstige uren van 11 uur tot 13 uur |
| shichinan-七難 | (boeddh.) 7 soorten rampen [ongeluk] |
| shishōjiko-死傷事故 | ongeluk met doden en gewonden |
| shōnan-小難 | kleine tegenslag [tegenvaller}; ongelukje |
| sōnan-遭難 | ramp; catastrofe; calamiteit; ongeluk |
| sōnangenba-遭難現場 | rampplek; de plaats van het ongeluk |
| sūki-数奇 | ongeluk; tegenspoed; tegenslag; pech |
| toshimawari-年回り | geluk behorend bij een bepaalde leeftijd (er wordt gezegd dat de ongeluksleeftijd bij mannen 42 is en bij vrouwen 33) |
| wazawai-災い | ramp; ellende; onheil; ongeluk |
| yaku-厄 | ramp(spoed); ellende; ongeluk; foltering; pijn |
| yaku-厄 | slecht jaar; rampjaar; ongeluksjaar |
| yakubi-厄日 | ongeluksdag; dag met rampspoed [tegenslag] |
| yakudoshi-厄年 | ongeluksjaar [leeftijd] (voor mannen 25, 42 en 61; voor vrouwen 19, 33 en 37) |
| yakumae-厄前 | (psychologie) het jaar voorafgaand aan de kritieke leeftijd [periode]; het jaar voor het ongeluksjaar |
| yakunan-厄難 | ramp; tragedie; onheil; tegenspoed; ongeluk |
| yarusenai-遣るせない | ongelukkig; machteloos; hulpeloos; somber |
| yozume-夜爪 | het 's nachts ['s avonds] je nagels knippen (volgens bijgeloof brengt dat ongeluk, m.n. dat men zijn ouders niet meer zal zien voordat ze sterven) |
| zannyū-竄入 | het per ongeluk [foutief] samenvoegen [mengen; door elkaar halen] |