lengte / leng-te ( de (v) | znw | lengten; lengtes )
1長さ; 縦 [horizontaal]
2高さ; 縦 [verticaal]
3経度 [geografische lengte]
Zie ook: breedte
Kruisverwijzing
lengte
| lemma | meaning |
|---|---|
| ai-埃 | eenheid van lengte (ångström) |
| ama-尼 | (afk. van 尼削) het afknippen van haar op schouderlengte |
| ama-尼 | jong meisje met haar tot op schouderlengte |
| bashin-馬身 | paardlengte; de lengte van een paard (bij paardenraces gebruikt om de afstand tussen paarden aan te geven) |
| do-度 | graad (hoek); lengte [breedte] graad |
| doryō-度量 | lengte en volume; afmetingen en inhoud |
| doryōkō-度量衡 | gewichten en afmetingen [maten]; lengte, volume en gewicht |
| fīto-フィート | (meervoud van foot, lengtemaat) voet (ca. 30 cm) |
| geshi-夏至 | één van de 24 seizoenen van de oude maankalender, wanneer de zon staat op 90 graden (geografische) lengte; tegenwoordig is dat 22 juni; zonnewende |
| hachō-波長 | golflengte |
| hahanosa-鼻の差 | klein verschil; verschil van een neuslengte |
| hansetsu-半切 | stuk papier van halve maat [afmeting] (in de lengte doormidden gesneden) |
| hassun-八寸 | 8 sun (lengtemaat) |
| hiro-尋 | vadem; vaam (lengtemaat, ca. 1,6-1,8 meter) |
| hitosuji-一筋 | (iets dat lang en smal is) een streep; lijn; stuk; snoer; lengte; straal |
| hobikibune-帆曳船 | (traditioneel) zeilschip met één groot zeil over de gehele bootlengte |
| hobikifune-帆引き船 | (Japanse) (vissers)boot, met één groot zeil over de gehele lengte van het zeilvaartuig |
| hobikisen-帆曳船 | (traditioneel) zeilschip met één groot zeil over de gehele bootlengte |
| ikisatsu-経緯 | verticaal en horizontaal; lengtegraad en breedtegraad; schering en inslag |
| ikitōgōsuru-意気投合する | goed met elkaar overweg kunnen; op dezelfde golflengte zitten |
| infaito-インファイト | het binnen een armlengte van de tegenstander boksen |
| jōha-縦波 | lengtegolf (bij schip) |
| katafune-片船 | romp [huls] van een vrucht (in de lengterichting doorsneden) |
| keido-経度 | lengtegraad |
| keii-経緯 | lengtegraad en breedtegraad |
| keisen-経線 | parallel van de lengtegraad [meridiaan] |
| ken-間 | lengte eenheid (ca. 1.818 meter) |
| koshiage-腰揚げ | plooien in de taille van een kimono (om de lengte van een kimono aan te passen) |
| mētā-メーター | meter (lengtemaat) |
| mētoru-メートル | meter (lengtemaat) |
| midi-ミディ | midi (roklengte halverwege de kuit, tussen mini en maxi) |
| mimore-ミモレ | midi (roklengte tot halverwege de kuit) |
| mitake-身丈 | de lengte van een kimono |
| mitake-身丈 | iemands lengte; lichaamslengte |
| nagasa-長さ | lengte (maat) |
| nagatehōkō-長手方向 | lengterichting |
| okuyuki-奥行き | diepte; lengte (van een huis, perceel, e.d.) |
| ongusutorōmu-オングストローム | ångström (eenheid van lengte, 10⁻¹⁰ meter = 0,1 nanometer) |
| oode-大手 | gehele armlengte van schouder tot de punten van de vingers |
| ōru・wēbu・reshībā-オール・ウェーブ・レシーバー | ontvanger die alle golflengtes kan ontvangen |
| saichō-最長 | de grootste lengte |
| saitan-最短 | de kortste lengte |
| sashikiru-差し切る | (bij paardenraces) de race nipt [op het allerlaatste moment] winnen; met een neuslengte [vlak voor de finishlijn] de anderen verslaan |
| se-背 | lichaamslengte; hoogte |
| seikei-西経 | westerlengte |
| seikurabe-背比べ | vergelijking van lengte [hoogte]; het met de ruggen tegen elkaar aan gaan staan om te kijken wie het grootste [langste] is |
| seitake-背丈 | statuur; gestalte; lichaamslengte |
| shagī・katto-シャギー・カット | kapsel dat in lagen van verschillende lengtes is geknipt |
| shakkanhō-尺貫法 | traditioneel Japans meetsysteem van lengtematen (shaku) en gewichten (kan) |
| shichibutake-七分丈 | 3/4; driekwart (lengte) |
| shinchō-身長 | lichaamslengte; gestalte; postuur |
| shosho-処暑 | de periode (rond 23 augustus) wanneer de zonnestand op 150 lengtegraad is en de zomerhitte afneemt (1 van de 24 graadverdelingen van de zonnekalender) |
| sodetake-袖丈 | mouwlengte |
| sotonori-外法 | meting van de buitenmaat; buitenbreedte [buitenlengte] |
| sunpō-寸法 | afmeting; maat; grootte; lengte |
| sutēpuru・faibā-ステープル・ファイバー | stapeldraad; vezellengte |
| sutoraido-ストライド | pas; stap; schrede; paslengte |
| taizaikikan-滞在期間 | verblijfsduur; duur [lengte] van het verblijf |
| take-丈 | hoogte; lichaamslengte; gestalte |
| take-丈 | lengte; afmeting |
| takekurabe-丈比べ | vergelijking van lengtes [hoogtes] |
| takekurabe-丈比べ | in Japanse renga (poëzie) het vergelijken van de lengtes van zinnen in verzen |
| tan'i-単位 | eenheid van gewicht [lengte]; munteenheid |
| tate-縦 | lengte; hoogte; diepte; verticaal; loodrecht; van boven naar beneden; van noord naar zuid |
| tatenami-縦波 | lengtegolf (bij een schip) |
| tatenuki-経緯 | verticaal en horizontaal; lengtegraad en breedtegraad; schering en inslag |
| tatewari-縦割り | iets verticaal [in de lengte] doormidden delen |
| teishin-艇身 | een bootlengte |
| tōji-冬至 | (één van de 24 seizoenen in de oude maankalender, als de zon staat op 270 graden (geografische) lengte); midwinter; de kortste dag: 21 of 22 dec. |
| tōkei-東経 | oosterlengte |
| tōshin-頭身 | de verhouding tussen hoofdlengte en lichaamslengte |
| tsūkā-つうかあ | elkaar geheel [compleet; volkomen; snel] begrijpen; op dezelfde golflengte zitten |
| tsūtoiebakā-つうと言えばかあ | elkaar snel begrijpen; op één lijn [op dezelfde golflengte] zitten |
| uchinori-内法 | meting van de binnenmaat; binnenbreedte [binnenlengte] |
| yādo-ヤード | yard (lengtemaat, 91,44 cm) |
| yāru-ヤール | yard (lengtemaat, 91,44 cm) |
| yubishaku-指尺 | de lengte van iets meten met de vingers |
| yuki-裄 | mouwlengte |
| yukitake-裄丈 | de mouwlengte [halve schouderlengte] van een kimono |
| zenchō-全長 | totale lengte; spanwijdte |