Kruisverwijzing
waaien
| lemma | meaning |
|---|---|
| akutō-悪投 | een buitengewoon slechte [afzwaaiende] worp van een (verre) veldspeler bij honkbal |
| asanagi-朝凪 | kalmte in de vroege ochtend aan de kust (als het even stopt met waaien, wanneer de landbries verandert in een zeebries) |
| chōbi-掉尾 | (lett.) met de staart zwaaien |
| fukiageru-吹き上げる | opblazen; opwaaien; opspuiten |
| fukiarasu-吹き荒らす | voorbij stormen; verwoesten; kapot waaien |
| fukichirasu-吹き散らす | uiteen waaien [blazen]; wegblazen; verstrooien |
| fukidasu-吹き出す | beginnen te waaien [blazen; ademen] |
| fukikakeru-吹きかける | waaien op [over]; ademen over; besproeien |
| fukikomu-吹き込む | binnen waaien; inregenen |
| fukimakuru-吹き捲る | lang blijven blazen [waaien] |
| fukinukeru-吹き抜ける | doorheen [overheen] waaien [blazen] |
| fukiorosu-吹き下ろす | naar beneden waaien |
| fukiotosu-吹き落とす | uit de boom waaien (van fruit) |
| fukisusabu-吹き荒ぶ | hard waaien; stormen; razen |
| fukitaosu-吹き倒す | omver blazen [waaien] |
| fukitsukeru-吹きつける | tegen(aan) waaien [blazen] |
| fukitsunoru-吹き募る | steeds harder waaien |
| fukiyamu-吹き止む | stoppen met waaien; afnemen [gaan liggen] van de wind |
| fukiyoseru-吹き寄せる | bij elkaar [op een hoop] waaien [blazen] |
| fuku-吹く | waaien |
| furiageru-振り上げる | omhoog [boven je hoofd] tillen [zwaaien; slaan] |
| furikaburu-振り被る | omhooghouden; (boven je hoofd) zwaaien (met) |
| furikazasu-振り翳す | rondzwaaien (met een voorwerp, wapen, e.d.) |
| furimawasu-振りす | hanteren; zwaaien (met) |
| furu-振る | zwaaien; schudden |
| harau-払う | (met een zwaard, stok e.d.) heen en weer zwaaien |
| hatafuri-旗振り | het vlaggenzwaaien |
| hon-翻 | (in kanji combinaties) fladderen; wapperen; zwaaien; omdraaien; overzetten; van richting [mening; gedachten) veranderen |
| makiokosu-巻き起こす | veroorzaken; doen ontstaan [opwaaien]; ophef veroorzaken |
| miokuru-見送る | iemand uitgeleide doen [uitzwaaien; wegbrengen] |
| okuribi-送り火 | ceremonieel vuur [fakkels] om de zielen van de overledenen bij hun vertrek uit te zwaaien |
| okuru-送る | (iem.) uitgeleide doen [uitzwaaien] |
| osamaru-治まる | rustig [vredig; kalm; ontspannen] worden; kalmeren; (fig.) uitdoven; (fig.) overwaaien; onder controle komen |
| sōgei-送迎 | het verwelkomen en uitzwaaien [afscheid nemen) (van mensen) |
| tebata-手旗 | vlaggetje; kleine vlaggetje om mee te zwaaien |
| tōbi-掉尾 | (lett.) met de staart zwaaien |
| yurasu-揺らす | (iets) heen-en-weer schommelen [zwaaien; slingeren] |
| yurayura-ゆらゆら | (onomatopee) schommelend; slingerend; zwaaiend; wankelend |
| yuriugokasu-揺り動かす | schudden; wiebelen; zwaaien |
| yusayusa-ゆさゆさ | (onomatopee) schommelend; zwaaiend; wankelend |