Kruisverwijzing
roeien
| lemma | meaning |
|---|---|
| aioi-相生い | het samen opgroeien (vanaf de geboorte) |
| aioi-相生い | het samengroeien; aan elkaar groeien |
| asaji-浅茅 | een Japanse (schaars groeiende, korte) grassoort van de familie Imperata cylindrica (Japans bloedgras) |
| bai-培 | (in kanji combinaties) het kweken; laten groeien |
| bappon-抜本 | de oorzaak elimineren; het uitroeien; verdelgen; ontwortelen |
| dekiru-出来る | groeien; vrucht dragen |
| erigami-襟髪 | nekhaar (in de nek groeiend haar) |
| fueru-増える | toenemen; vermeerderen; groeien; zich vermenigvuldigen |
| fukikakeru-吹きかける | waaien op [over]; ademen over; besproeien |
| funaasobi-船遊び | boottocht; met een boot varen [roeien; zeilen] |
| fuyusaku-冬作 | wintergewassen (groeien in de winter, en worden geoogst in de lente of zomer) |
| hattatsusuru-発達する | groeien; ontwikkelen; rijpen |
| hattensuru-発展する | zich uitbreiden; (zich) ontwikkelen; groeien; vooruitgaan |
| hayasu-生やす | laten groeien; kweken; cultiveren |
| issō-一掃 | her in een keer wegvegen [afschaffen; uitroeien] |
| jirijiri-じりじり | verschroeiende [verzengende] hitte van de zon |
| jiseishokubutsu-自生植物 | inheemse plant (groeiend in eigen verspreidingsgebied) |
| jiseisuru-自生する | natuurlijk [spontaan] groeien; in het wild groeien |
| kaga-夏芽 | zomerknoppen (bloem- of bladknoppen die aan planten en bomen groeien in de zomer, en dan later in het jaar uitkomen) |
| kairi-乖離 | vervreemding; het uit elkaar groeien; het verwateren van een contact |
| kakebanareru-掛け離れる | ver verwijderd raken [worden]; uit elkaar raken [groeien] |
| kirifuki-霧吹き | het sproeien; verstuiven; vernevelen |
| kogasu-焦がす | roosteren; (ver)schroeien |
| kogeru-焦げる | branden; schroeien |
| kogitsuku-漕ぎ着く | (een plaats) bereiken door er naartoe te roeien; ergens heen roeien |
| kogu-漕ぐ | roeien; kanoën |
| konzetsusuru-根絶する | uitroeien; ontwortelen; met wortel en al uittrekken; verdelgen |
| kōtsūsensō-交通戦争 | (het maatschappelijke probleem van) het groeiend aantal verkeersslachtoffers |
| maku-撒く | (be)strooien; verspreiden; sproeien; besprenkelen |
| masu-増す | groeien; toenemen; opzwellen; vermeerderen; aankomen (in gewicht) |
| medake-雌竹 | (lett. vrouwelijke bamboe) Pleioblastus simonie (laaggroeiende bamboe) |
| messuru-滅する | vernietigd worden; vergaan; vernietigen; uitroeien |
| missei-密生 | dichtbegroeid zijn; dicht op elkaar groeien; bossig zijn |
| musu-生す | groeien (van planten) |
| natsume-夏芽 | bloem- of bladknoppen die aan planten en bomen groeien in de zomer, en dan later in het jaar uitkomen; zomerknoppen |
| natsusaku-夏作 | zomergewassen, (zoals o.a. maïs, bonen, aubergine) die groeien in de zomer, en worden geoogst in de herfst of winter |
| nobasu-伸ばす | langer maken; (uit)rekken; uitstrekken; laten groeien (van haar) |
| nobiru-伸びる | groeien; langer worden; zich uitstrekken |
| noborizaka-上り坂 | opwaartse [oplopende] helling; bergopwaarts; groeiend; herstellend (economie); verbetering (weer, gezondheid) |
| nyokinyoki-にょきにょき | (onomatopee) het plotseling (de een na de ander) opkomen [ontstaan; ontspruiten]; oprijzen; omhoog groeien] |
| odake-雄竹 | (lett. mannelijke bamboe) hooggroeiende bamboe (Phyllostachys) |
| oitachi-生い立ち | groei; het opgroeien |
| rikisō-力漕 | het stevig doorroeien; roeien met stevige slagen |
| sansai-山菜 | eetbare wilde planten (die in de bergen groeien) |
| seichōsuru-成長する | groeien; ontwikkelen; toenemen |
| shibuku-しぶく | sproeien; (door de wind) verstrooid worden |
| shōnetsu-焦熱 | verzengende [verschroeiende] hitte |
| shōshaku-焼灼 | het schroeien; cauteriseren |
| sodatsu-育つ | opgroeien; opgevoed worden |
| sodatsu-育つ | groeien; uitgroeien; zich ontwikkelen (tot) |
| sōtei-漕艇 | roeien; roeisport |
| tachiki-立ち木 | een rechte [opgroeiende] boom |
| taikibansei-大器晩成 | een laatbloeier; grote talenten groeien langzaam; wat goed is komt langzaam |
| takuwaeru-蓄える | laten groeien (baard, snor) |
| tamaru-溜まる | zich opstapelen [verzamelen]; aangroeien; oplopen; blijven liggen |
| zōkasuru-増加する | toenemen; stijgen; groeien |
| zokusei-簇生 | het (dicht) bij [door] elkaar groeien (bv. van planten, bomen, maar ook van tanden en kiezen) |
| zokuseisuru-簇生する | (dicht) bij [door] elkaar groeien |