| haimatsuwaru-這い纏わる | vastklampen; (omhoog) kruipen [klimmen] (van planten) |
| hainoboru-這い登る | (op)klimmen tegen; omhoog klauteren [kruipen] |
| haitsukubau-這い蹲う | kruipen; diep buigen; op handen en knieën zitten |
| hau-這う | kruipen; kronkelen |
| inochibiroisuru-命拾いする | door het oog van de naald kruipen; op het nippertje [aan de dood] ontsnappen |
| kurīpingu・infurēshon-クリーピング・インフレーション | (Eng.: creeping inflation) kruipende inflatie; langzaam stijgende inflatie |
| nukedasu-抜け出す | wegglippen; wegkruipen |
| shinadareru-撓垂れる | tegenaan leunen; zich tegen iemand aanvlijen [aankruipen] |
| shinobiyoru-忍び寄る | naderbij sluipen [kruipen] |
| yorisou-寄り添う | dicht tegen elkaar aan zitten [kruipen; blijven]; zich tegen elkaar aan nestelen |
| zakuroguchi-石榴口 | (Edo-periode) in badhuizen, een houten deur met een lage opening waardoor men moest kruipen om in bad te gaan (voorzorg tegen afkoeling van het water) |
| zuriagaru-ずり上がる | omhoog glijden; opkruipen (van kleding) |