dagen / da-gen ( ww. )
1夜が明ける [dag worden]
2 (物事が人に) 分かり始める [duidelijk beginnen te worden]
3召喚する; 喚問する [dagvaarden; oproepen]
Kruisverwijzing
dagen
| lemma | meaning |
|---|---|
| aitedoru-相手取る | de strijd aangaan met; iemand uitdagen [aanklagen] |
| akarumu-明るむ | dagen; licht worden |
| ango-安居 | varsika (een term voor Boeddhistische training en meditatie gedurende een periode van 90 dagen) |
| arishihi-在りし日 | de afgelopen dagen; vervlogen tijden; dagen van weleer; lang geleden |
| ashikake-足掛け | term die gebruikt wordt bij het ruim berekenen van jaren, maanden, dagen, etc. |
| chijitsu-遅日 | lange lentedag; het lengen der dagen in de lente |
| chikagoro-近頃 | dezer dagen; recentelijk; de laatste tijd |
| chōsensuru-挑戦する | uitdagen; provoceren |
| chūu-中有 | (in Japans boeddhisme) transitieperiode van 49 dagen tussen overlijden en wedergeboorte |
| dainotsuki-大の月 | een lange maand (die 31 dagen telt volgens de zonnekalender, en 30 volgens de maankalender) |
| doyō-土用 | de warmste periode van de zomer; de hondsdagen |
| doyōnami-土用波 | hoge golven tijdens de hondsdagen (de warmste tijd van het jaar) |
| enkaisuru-延会する | uitstellen; opschuiven; verdagen |
| fusenpai-不戦敗 | (judo) verlies door niet verschijnen [komen opdagen] bij een wedstrijd |
| futananoka-二七日 | 14 dagen (2x7 dagen) |
| futsuka-二日 | twee dagen |
| ganzan-元三 | drie dagen na Nieuwjaarsdag |
| gejun-下旬 | de laatste tien dagen van de maand; het einde van de maand |
| genshoku-減食 | voor gevangenen een straf van gedurende 7 dagen minder voedsel krijgen |
| gōruden・uīku-ゴルデン・ウイーク | Gouden week (reeks nationale feestdagen in Japan, de eerste week van mei) |
| gotoobi-五十日 | dagen van de maand eindigend op 5 of 0 |
| hanazakari-花盛り | (fig.) bloeitijd; hoogtijdagen |
| hatsuka-二十日 | twintig dagen; de twintigste dag van de maand |
| hibi-日日 | dagelijks; elke dag; alle dagen |
| higan'e-彼岸会 | (boeddh.) de Higan viering in de lente en de herfst voor 7 dagen |
| hikazu-日数 | aantal dagen |
| hinami-日並み | opeenvolging van dagen |
| hinarazushite-日ならずして | weldra; binnen enkele dagen; binnenkort |
| hirakinaoru-開き直る | zich afzetten tegen; een verdedigende houding aannemen; uitdagend [opstandig] zijn |
| hitonanoka-一七日 | de zevende dag na het overlijden; de eerste zeven dagen na het overlijden |
| hyakunichi-百日 | honderd dagen |
| ichishichinichi-一七日 | de zevende dag na het overlijden; de eerste zeven dagen na het overlijden |
| imadoki-今時 | deze dagen; heden; tegenwoordig |
| iroppoi-色っぽい | sexy; erotisch; uitdagend; wulps |
| issakusaku-一昨昨 | drie (dagen; maanden; jaren) geleden |
| itsuka-五日 | (een periode van) 5 dagen |
| itsuka-何時か | soms; eens; een dezer dagen |
| itsuzuke-居続け | meerdere dagen uitgaan en plezier maken |
| jijitsu-時日 | dagen en uren; tijd |
| jitsugetsu-日月 | tijd; dagen en maanden; jaren |
| jōjun-上旬 | de eerste tien dagen van de maand; het begin van de maand |
| jun-旬 | een periode van 10 dagen (een derde deel van een maand) |
| junjitsu-旬日 | een periode van (ongeveer) tien dagen |
| junpō-旬報 | publicatie [rapport; tijdschrift] dat elke 10 dagen wordt uitgebracht; tiendaagse uitgave |
| jun'yo-旬余 | meer dan tien dagen |
| jūya-十夜 | (boeddh. Jōdo-school) het ritueel van het zingen van Nembutsu gedurende 10 dagen en nachten (van de 6de tot 15de dag van de 10de maand (maankalender) |
| kaichō-開帳 | het openen (op bepaalde dagen) van de gordijnen of deuren van een heiligdom, zodat het publiek het verborgen Boeddhabeeld kan zien |
| kanjitsugetsu-閑日月 | vrije tijd; vrije dagen |
| kannenbutsu-寒念仏 | winter nenbutsu, het reciteren van de nenbutsu buiten in de winterkou (gedurende 30 dagen) |
| ketsujō-欠場 | afwezigheid; het ontbreken; niet (komen) opdagen |
| kinjitsu-近日 | weldra; binnenkort; over [binnen] enkele dagen |
| kinrai-近来 | deze dagen; de laatste tijd; recent |
| koharubiyori-小春日和 | nazomer; oudewijvenzomer; warme dagen in de (late) herfst |
| kokuminnoshukujitsu-国民の祝日 | nationale feestdagen in Japan |
| konogoro-此の頃 | de laatste tijd; recent; dezer dagen |
| konohodo-此の程 | dezer dagen; recent |
| konotabi-此の度 | recent; dezer dagen |
| koshōgatsu-小正月 | de dagen rond de 15de dag van het nieuwe jaar (maankalender) |
| kurasu-暮らす | wonen; leven; zijn leven [dagen] doorbrengen (met) |
| kyōasu-今日明日 | vandaag en morgen; vandaag of morgen; (binnen) een paar dagen; spoedig; weldra |
| machibōke-待ち惚け | het tevergeefs wachten (op iemand); niet komen opdagen (van iemand) |
| makki-末期 | de laatste periode [dagen; maanden; jaren]; de laatste [terminale] fase |
| matsunouchi-松の内 | de eerste 7 dagen van het nieuwe jaar |
| matsuro-末路 | laatste (levens)dagen; het einde; (nood)lot |
| meisū-命数 | levensduur ( het aantal dagen in iemands leven) |
| merī・kurisumasu-メリー・クリスマス | Prettige Kerstdagen; Vrolijk Kerstfeest |
| mikka-三日 | drie dagen |
| mikkabōzu-三日坊主 | (lett. een boeddhistische priester voor drie dagen) een uitdrukking voor iemand die snel ergens mee ophoudt [het bijltje erbij neergooit] |
| miyamairi-宮参り | bezoek aan een Shinto-schrijn [heiligdom] (met baby's, binnen 30 dagen na hun geboorte) |
| mōshikomu-申し込む | verzoeken; aanvragen; een aanzoek doen (van huwelijk); uitdagen |
| muika-六日 | de zesde dag (van de maand); zes dagen |
| mukyū-無休 | (van winkels, bedrijven, etc) het hele jaar geopend zijn (geen sluitingsdagen) |
| nagekikurasu-嘆き暮らす | leven [dagen doorbrengen] in rouw en verdriet |
| nakikurasu-泣き暮らす | zijn dagen huilend slijten; huilend de tijd [je leven] doorbrengen |
| nannichi-何日 | hoeveel dagen |
| neshōgatsu-寝正月 | de nieuwjaarsvakantie [de vrije dagen rond nieuwjaar] in bed doorbrengen |
| nisshi-日子 | (aantal) dagen |
| nissū-日数 | aantal dagen |
| nobenissū-延べ日数 | totaal aantal (werk)dagen |
| obibangumi-帯番組 | radio- of tv-programma dat op meerdere dagen per week op hetzelfde tijdstip wordt uitgezonden |
| ōgonshūkan-黄金週間 | Gouden week (reeks nationale feestdagen in Japan, de eerste week van mei) |
| okowa-お強 | gestoomde rijst met rode bonen, kastanjes, bamboescheuten, e.d. (traditioneel gegeten bij feestdagen, familiebijeenkomsten, e.d.) |
| osagari-お下がり | term gebruikt voor de regen of sneeuw die valt tijdens de eerste drie dagen van het nieuwe jaar |
| otabisho-御旅所 | de plaats waar een draagbaar schrijn dat op de feestdagen wordt rondgedragen wordt bewaard |
| ottsuke-追っ付け | binnenkort; aanstonds; weldra; spoedig; een dezer dagen |
| rekijitsu-暦日 | dagen en maanden in een kalenderjaar; jaren; tijd |
| renjitsu-連日 | opeenvolgende dagen; elke dag; dag in, dag uit |
| renkyū-連休 | opeenvolgende vakanties [feestdagen] |
| ruijitsu-累日 | dag na dag; vele dagen |
| saikin-最近 | de laatste tijd; recentelijk; dezer dagen |
| sakiototoi-一昨昨日 | drie dagen geleden |
| sakujitsu-朔日 | (arch.) de eerste tien dagen van de maanmaand |
| sankanshion-三寒四温 | (in de winter) een afwisseling van drie koude en vier warme dagen |
| seiji-盛時 | hoogtijdagen; glorietijd; periode van welvaart |
| seisho-盛暑 | hoogzomer; de heetste dagen [de hitte] van de zomer |
| sendatte-先だって | recent; enkele dagen geleden; onlangs |
| senjitsu-先日 | onlangs; recent; een paar dagen geleden |
| senshō-先勝 | (volgens de oude maankalender) de dagen die in de ochtend als geluksdagen worden aangemerkt, maar in de middag als ongeluksdagen |
| shakuru-しゃくる | (uitdagend; arrogant) je kin omhoog steken |
| shiasatte-明明後日 | de dag na overmorgen; over 3 dagen |
| shichiyō-七曜 | de zeven dagen van de week |
| shigekiteki-刺激的 | stimulerend; uitdagend; provocerend |
| shikakeru-仕掛ける | (iem.) uitdagen; initiëren; het initiatief nemen; in werking zetten |
| shimanrokusennichi-四万六千日 | een speciale dag waarvan wordt gezegd dat een pelgrimstocht [tempelbezoek] op deze dag dezelfde verdienste geeft als die van 46.000 dagen |
| shimau-仕舞う | (arch.) een prostituee inhuren voor een aantal dagen |
| shirubā・wīku-シルバー・ウィーク | Silver Week, in Japan een aantal officiële vakantiedagen achter elkaar |
| sho-暑 | warmste tijd (van het jaar); hete zomer; hondsdagen |
| shojun-初旬 | de eerste tien dagen van de maand |
| shōnotsuki-小の月 | korte maand (met minder dan 31 dagen) |
| shū-週 | week (7 dagen) |
| shūkyūfutsukasei-週休二日制 | (systeem van) 5-daagse werkweek [schoolweek] (en 2 dagen vrij) |
| shutsujō-出場 | aanwezigheid; deelname (aan een wedstrijd etc.); inschrijving; het verschijnen; komen opdagen |
| sokkurikaeru-反っくり返る | zich hooghartig gedragen; een uitdagende houding aannemen (de borst vooruit, met opgeheven hoofd) |
| suenoyo-末の世 | de laatste dagen (van het leven) |
| tabisho-旅所 | de plaats waar een draagbaar schrijn dat op de feestdagen wordt rondgedragen wordt bewaard |
| tachimachizuki-立ち待ち月 | een 17 dagen maan |
| tajitsu-他日 | eens; op een dag; een dezer dagen; in de toekomst; ooit |
| tanjijitsu-短時日 | een paar dagen; korte tijd |
| tōkon-当今 | tegenwoordig; dezer dagen; momenteel; nu |
| tokubetsukokkai-特別国会 | speciale zitting van het parlement binnen 30 dagen na de verkiezingen |
| tooka-十日 | tien dagen |
| toshinose-年の瀬 | einde van het jaar; de laatste dagen van het jaar |
| tsugomori-晦 | de laatste paar [10] dagen van de maand (in de maankalender) |
| uīku-ウイーク | week (7 dagen) |
| uttaeru-訴える | iemand aanklagen; voor de rechter dagen; een proces [zaak] aanspannen |
| yojitsu-余日 | resterende tijd (tot); aantal dagen (tot) |
| yojitsu-余日 | vrije dag [dagen] |
| yojitsu-余日 | andere dag [dagen] |
| zennichisei-全日制 | systeem van regulier dagonderwijs (op weekdagen); voltijd opleiding |
| zenseiki-全盛期 | hoogtijdagen; gouden tijdperk; periode van bloei |