Kruisverwijzing
bom
| lemma | meaning |
|---|---|
| anagomori-穴籠もり | het overwinteren van dieren in holen in de aarde of in bomen |
| arabia・gomu-アラビア・ゴム | Arabische gom (kleefstof uit acacia bomen) |
| ashide-葦手 | een gekalligrafeerd landschap van water met riet, gras, rotsen, bomen, vogels, etc., weergegeven in kana en kanji |
| baku-爆 | (afk. voor) bom |
| bakudan-爆弾 | bom; granaat |
| bakudanyokoku-爆弾予告 | bommelding |
| bakufū-爆風 | schokgolf; bomexplosie |
| bakugeki-爆撃 | bombardement |
| bakurai-爆雷 | dieptebom |
| bakushi-爆死 | het omkomen [sterven; om het leven komen] door een explosie of een bom |
| bakushisuru-爆死する | omkomen [sterven; om het leven komen] door een explosie of een bom |
| bonsai-盆栽 | kweekkunst om miniatuurbomen in een pot te houden |
| daikūshū-大空襲 | zware luchtaanval; bombardement |
| dashinuku-出し抜く | iemand's plannen dwarsbomen; iemand te slim af zijn |
| fīrudo・asurechikku-フィールド・アスレチック | een sport waarbij hindernissen en toestellen worden opgesteld op een parcours dat gebruik maakt van natuurlijke topografie, zoals bomen, e.d. |
| fuhatsu-不発 | het ketsen [niet afgaan] (van een pistool, geweer, bom, etc.) |
| fuyukodachi-冬木立 | kale bomen in de winter |
| gairoju-街路樹 | straatboom; bomen langs de kant van de weg [straat] |
| genbaku-原爆 | atoombom |
| genbakushō-原爆症 | stralingsziekte veroorzaakt door een atoombom |
| genshibakudan-原子爆弾 | atoombom |
| gyūzume-ぎゅう詰め | bomvol [volgepropt; barstensvol; tjokvol] zijn |
| hairu-入る | vrucht dragen (van bomen, planten, e.d.) |
| hatsuendan-発煙弾 | rookbom; rookgranaat |
| hibaku-被爆 | het gebombardeerd worden; blootgesteld worden aan straling van een atoombom |
| hidan-被弾 | het beschoten [gebombardeerd] worden; geraakt worden door kogels |
| hirenjaku-緋連雀 | Japanse pestvogel (Bombycilla japonica) |
| hōgakōshin-萌芽更新 | het afkappen van bomen en struiken net boven de stambasis |
| hōgeki-砲撃 | beschieting; bombardement (m.n. vanuit artillerie) |
| ibotarō-水蠟蠟 | bomenwas; insectenwas; Chinese was |
| ikoboreru-居溢れる | (bom)vol [afgeladen] met mensen zijn |
| jibaku-自爆 | het zichzelf opblazen; zelfmoordaanslag met een bom |
| jukai-樹海 | een groot bos; dichtbegroeid woud; een zee van bomen |
| jūtanbakugeki-絨緞爆撃 | tapijtbombardement (waarbij een groot aantal bommen over een heel gebied worden uitgestrooid, in plaats van bepaalde doelen te raken) |
| kaga-夏芽 | zomerknoppen (bloem- of bladknoppen die aan planten en bomen groeien in de zomer, en dan later in het jaar uitkomen) |
| kaiko-蚕 | zijderups (Bombyx mori) |
| kashū・nattsu-カシュー・ナッツ | cashewnoot; cachounoot; bombaynoot |
| kazaore-風折れ | door de wind geveld [afgebroken] (van bomen e.d.) |
| kiriharau-切り払う | weghakken; wegsnoeien; wieden; (grond) vrijmaken (van bomen, onkruid, etc.) |
| kiritsugi-切り継ぎ | het enten (planten en bomen) |
| kiritsugisuru-切り継ぎする | het enten (planten en bomen) |
| kobarutobakudan-コバルト爆弾 | kobaltbom |
| kodachi-木立 | een groep (dicht op elkaar staande) bomen |
| komorebi-木漏れ日 | zonlicht dat door de bomen schijnt [gluurt] |
| konoma-木の間 | (ruimte) tussen de bomen |
| konoshitayami-木の下闇 | de donkere schaduw onder de bomen (in de zomer als er veel bladeren zijn) |
| kotogotoshii-事事しい | overdreven; aanmatigend; bombastisch; pretentieus |
| kūbaku-空爆 | luchtaanval; bombardement |
| kūchūbakugeki-空中爆撃 | luchtaanval; bombardement |
| kudaku-砕く | (fig.) verbrijzelen (van iemands hoop, vertrouwen, etc.); dwarsbomen; pijnigen; kwellen |
| kun-薫 | aangenaam ruikende bomen of planten |
| kurasutābakudan-クラスター爆弾 | clusterbom |
| kurasutādan-クラスター弾 | clustermunitie; clusterbom |
| kurogaki-黒柿 | Kurogaki, een groenblijvende boom, van de familie van de kaki bomen (Diospyros kaki) met donkere vruchten |
| kusaki-草木 | bomen en planten; vegetatie |
| kyodan-巨弾 | grote bom [granaat]; enorm projectiel |
| matsukaze-松風 | (het geluid van) de wind die waait door de dennenbomen |
| megaton-メガトン | megaton (1 miljoen ton TNT, de energie die vrijkomt bij het ontploffen van waterstofbommen) |
| metsugi-芽接ぎ | (van fruitbomen) het enten (van knoppen); oculeren |
| mirāju-ミラージュ | jachtbommenwerper van de Franse luchtmacht |
| mokuhon-木本 | (houtige gewassen) bomen; struiken |
| namiki-並木 | rij bomen langs een straat [weg] |
| namikimischi-並木道 | avenue; laan met bomen erlangs |
| napāmudan-ナパーム弾 | napalmbom |
| naridoshi-生り年 | mastjaar (bij bosbouw en natuurbeheer een benaming voor een jaar waarin bomen en planten veel meer vrucht dragen dan normaal) |
| naridoshigenshō-生り年現象 | mastjaar (een jaar waarin bomen veel vruchten geven) |
| natsume-夏芽 | bloem- of bladknoppen die aan planten en bomen groeien in de zomer, en dan later in het jaar uitkomen; zomerknoppen |
| nekko-根っこ | wortels (van planten en bomen) |
| pikadon-ぴかどん | (onomatopee van lichtflits en harde knal, als bijnaam voor) een atoombom |
| rinritsu-林立 | het (als een woud van bomen) dicht op elkaar (recht overeind) staan |
| rinritsusuru-林立する | (als een woud van bomen) dicht op elkaar (recht overeind) staan |
| rinsen-林泉 | tuin in Japanse stijl (met bomen, water, etc.) |
| rojin-ロジン | colofonium; spiegelhars; vioolhars; pijnhars (natuurlijke hars gewonnen uit naaldbomen, Pinus) |
| rojin・baggu-ロジン・バッグ | rosin zakje; harszakje (zakje gevuld met hars van dennenbomen, gebruikt bij honkbal door werpers om hun grip op de bal te verbeteren) |
| rōjin・baggu-ロージン・バッグ | rosin zakje; harszakje (zakje gevuld met hars van dennenbomen, gebruikt bij honkbal door werpers om hun grip op de bal te verbeteren) |
| ryokka-緑化 | aanplant van bomen; bebossing; vergroening |
| ryokuin-緑陰 | de schaduw onder de (groene) bomen |
| shōfū-松風 | (het geluid van) de wind die waait door de dennenbomen |
| shōidan-焼夷弾 | brandbom |
| shokuju-植樹 | het planten van bomen |
| shōrai-松籟 | het geluid van de wind die waait door pijnbomen |
| shōyōjurin-照葉樹林 | bos bestaand uit bladhoudende loofbomen; groenblijvend bos |
| sōkonbokuhi-草根木皮 | wortels van kruiden en schors van bomen (gebruikt in de traditionele Chinese geneeskunde) |
| sōkonmokuhi-草根木皮 | wortels van kruiden en schors van bomen (gebruikt in de traditionele Chinese geneeskunde) |
| sōmoku-草木 | bomen en planten; vegetatie |
| sonarematsu-磯馴れ松 | door de (zee)wind geteisterde pijnbomen; pijnbomen (aan de kust) met laaghangende takken door de zeewind |
| sorin-疎林 | open bos; een bos met weinig bomen |
| suibaku-水爆 | waterstofbom |
| suisobakudan-水素爆弾 | waterstofbom |
| sumōku・bōru-スモーク・ボール | rookbom |
| sushizume-鮨詰め | bomvol; volgepropt (als sardientjes in een blikje) |
| tekisuru-敵する | zich verzetten tegen; bezwaar maken tegen; dwarsbomen; tegenwerken |
| teue-手植え | zelf [persoonlijk; handmatig] planten (van bomen en planten) |
| tōbatsu-盗伐 | illegale houtkap; het illegaal kappen en stelen van bomen |
| tomeyama-留め山 | berg(en) waar jagen en kappen van bomen verboden zijn |
| tsugiki-接ぎ木 | het enten van bomen [planten] |
| tsugikisuru-接ぎ木する | bomen [planten] enten |
| ussō-鬱蒼 | dichte bebossing; donkere [dicht op elkaar staande] bomen |
| yukigakoi-雪囲い | strodek voor planten of bomen als bescherming voor sneeuw |
| yukimochi-雪持ち | met sneeuw bedekte bladeren [takken] van bomen |
| zatsuboku-雑木 | gemengd bos (bestaande uit verschillende soorten bomen) |
| zōki-雑木 | gemengd bos (bestaande uit verschillende soorten bomen) |
| zokusei-簇生 | het (dicht) bij [door] elkaar groeien (bv. van planten, bomen, maar ook van tanden en kiezen) |