Kruisverwijzing
blazen
| lemma | meaning |
|---|---|
| bakuchin-爆沈 | het opblazen en tot zinken brengen (van een schip) |
| bakuha-爆破 | vernietiging door explosieven; het opblazen |
| bakusai-爆砕 | het opblazen; in stukken blazen (met explosieven) |
| bukubuku-ぶくぶく | dik; opgeblazen (door kleding) |
| burō-ブロー | blazen |
| fūjin-風塵 | (door de wind opgeblazen) zand [stof] |
| fukiageru-吹き上げる | opblazen; opwaaien; opspuiten |
| fukichirasu-吹き散らす | uiteen waaien [blazen]; wegblazen; verstrooien |
| fukidasu-吹き出す | beginnen te waaien [blazen; ademen] |
| fukiharau-吹き払う | wegblazen |
| fukikesu-吹き消す | uitblazen (kaars, etc.) |
| fukikomu-吹き込む | inademen; inblazen |
| fukimakuru-吹き捲る | lang blijven blazen [waaien] |
| fukinukeru-吹き抜ける | doorheen [overheen] waaien [blazen] |
| fukitaosu-吹き倒す | omver blazen [waaien] |
| fukitobasu-吹き飛ばす | wegblazen; de lucht inblazen; (iets ergens) afblazen |
| fukitobu-吹き飛ぶ | weggeblazen worden |
| fukitsukeru-吹きつける | tegen(aan) waaien [blazen] |
| fukiyoseru-吹き寄せる | bij elkaar [op een hoop] waaien [blazen] |
| fuku-吹く | blazen; uitademen |
| futtobu-吹っ飛ぶ | weggeblazen worden |
| gasunuki-ガス抜き | (fig.) het stoom afblazen; afkoelen; (frustraties, e.d.) ventileren |
| haifuki-灰吹き | een bamboebuis waarin as en sigarettenpeuken gescheiden worden (door blazen) |
| hajikeru-弾ける | (fig.) zich laten gaan; afreageren; stoom afblazen |
| hakidasu-吐き出す | uitblazen; wegblazen; uitstoten (rook, e.d.) |
| hanafubuki-花吹雪 | bloemblaadjes die door de wind (geblazen) dwarrelen in de lucht (als sneeuw) |
| happa-発破 | het opblazen met explosieven (in mijnen, rotsen, e.d.) |
| harebottai-腫れぼったい | gezwollen; opgeblazen |
| hokidasu-吐き出す | uitblazen; wegblazen; uitstoten (rook, e.d.) |
| hoozuki-酸漿 | een kelkblad van de lampionplant dat fungeert als fluitje waar kinderen op blazen |
| ikasu-生かす | laten (her)leven; levend [in leven] houden; nieuw leven inblazen |
| jibaku-自爆 | het zichzelf opblazen; zelfmoordaanslag met een bom |
| kotokireru-事切れる | de laatste adem uitblazen; heengaan; sterven |
| moritateru-守り立てる | doen herleven; laten opbloeien; nieuw leven inblazen |
| sakurafubuki-桜吹雪 | kersebloesem die door de wind (geblazen) dwarrelen in de lucht (als sneeuw) |
| shā-シャー | het (geluid van) blazen; sissen (b.v. van een kat) |
| suimei-吹鳴 | (het) fluiten; blazen op een fluit, e.d. |
| tatebue-縦笛 | blaasinstrument waar verticaal op geblazen wordt |
| tebana-手鼻 | je neus schoonblazen door met je vingers één voor één de neusgaten dicht te drukken |