| aisatsusuru-挨拶する | iem. (be)groeten; zichzelf introduceren; feliciteren; een toespraak houden; aankondigen; bekendmaken; antwoord geven [sturen]; wraak nemen; bemiddelen |
| betsuji-別辞 | afscheidsrede; afscheidstoespraak |
| chōmon-聴聞 | het luisteren naar (een lezing, toespraak, preek, etc.) |
| enja-演者 | iemand die een toespraak houdt; spreker |
| enzetsu-演説 | toespraak; oratie; rede; lezing |
| enzetsusuru-演説する | een toespraak [speech; oratie] houden; een lezing geven |
| hanashi-話 | lezing; praatje; rede(voering); voordracht; speech; toespraak |
| hyōdai-表題 | de titel van een lezing; toespraak, toneelstuk, e.d. |
| isseki-一席 | speech; toespraak |
| kaikōichiban-開口一番 | eerste woorden; openingswoorden; begin van een toespraak |
| kōen-講演 | lezing; toespraak; praatje |
| nagadangi-長談義 | langdradige [saaie] toespraak [speech; lezing] |
| nagakōjō-長口上 | een lang verhaal; lange toespraak |
| shishiku-獅子吼 | gepassioneerde toespraak |
| shokei-諸兄 | (bij het begin van een toespraak) geachte heren; beste vrienden |
| supīchi-スピーチ | spraak; toespraak; rede; voordracht |
| tēburu・supīchi-テーブル・スピーチ | korte toespraak aan tafel tijdens een diner |
| tekketsu-鉄血 | (lett. ijzer en bloed) sterke krijgsmacht (verwijzing naar een toespraak van Bismarck van Pruisen) |