talent / ta-lent ( het (o) | znw | talenten )
1才能; 素質 [gave; natuurlijke begaafdheid]
2才能のある人 [iemand met veel begaafdheid]
3タレント [(bij de oude Grieken) gewicht- en munteenheid]
Kruisverwijzing
talent
| lemma | meaning |
|---|---|
| akusai-悪才 | iemand met talent voor kwade [slechte] dingen |
| chōjin-超人 | supermens; iemand met uitzonderlijke krachten [talenten; vaardigheden] |
| chūkon-中根 | (boeddh.) iemand met een middelmatig spiritueel talent [vermogen] om het Boeddhisme optimaal te kunnen bestuderen [volgen] |
| dokusōryoku-独創力 | creatief talent; originaliteit |
| egokoro-絵心 | talent voor [bekwaamheid in] schilderen; verstand van [interesse in] schilderkunst [schilderijen] |
| eimai-英邁 | getalenteerdheid; wijsheid |
| eisai-英才 | een talent; genie; geniale persoon |
| eisai-英才 | talent; genialiteit |
| eishun-英俊 | een genie; een groot talent |
| erabutsu-偉物 | een groot man; een getalenteerd [bekwaam; begaafd] persoon |
| fubin-不敏 | traagheid; onvermogen; gebrek aan talent [vaardigheid] |
| fusai-不才 | onbekwaamheid; incompetentie; gebrek aan talent |
| gakusai-学才 | studievaardigheid; wetenschappelijk talent |
| garyō-臥竜 | een niet-erkend genie; verborgen talent; een groot persoon wiens talent verborgen blijft |
| gasai-画才 | technische meesterschap [artistiek talent] in schilderkunst |
| gei-芸 | kundigheid; vaardigheid; artistiek talent |
| gekon-下根 | (boeddh.) iemand met heel weinig spiritueel talent [vermogen] om het Boeddhisme optimaal te kunnen bestuderen [volgen] |
| haishutsu-輩出 | het in opeenvolging verschijnen van talentvolle mensen |
| itsuzai-逸材 | een opmerkelijk talent; een uitzonderlijk getalenteerd persoon |
| izai-偉材 | (iem. met) een buitengewoon talent; een genie |
| jinketsu-人傑 | een intelligent [getalenteerd] persoon; een groot mens |
| jinzai-人材 | een bekwaam [kundig; getalenteerd] persoon |
| jitsuryoku-実力 | (werkelijke) kracht; vermogen; competentie; talent; vaardigheid |
| jōfu-丈夫 | talentrijke [begaafde] man |
| jōjin-常人 | een gewone [middelmatige] persoon; iemand met middelmatige talenten of bekwaamheden |
| jōkon-上根 | (boeddh.) iemand met heel veel spiritueel talent [vermogen] om het Boeddhisme optimaal te kunnen bestuderen [volgen] |
| kannō-堪能 | getalenteerd [begenadigd; vaardig; kundig] zijn |
| kensai-賢才 | een begaafde [talentvolle; wijze] persoon |
| kiriuri-切り売り | het stap voor stap delen [presenteren] (van talenten, vaardigheden. e.d.) |
| kisai-奇才 | een genie; uitzonderlijk talent |
| kisai-鬼才 | genie; uitzonderlijk talent; bijzonder begaafd iemand |
| kōryō-蛟竜 | een nog niet ontdekt genie; een verborgen talent |
| koyū-固有 | aangeboren eigenschap; talent |
| kyōyū-享有 | het bij de geboorte al bezitten van (voor)rechten en talenten) |
| kyozai-巨材 | een groot talent; getalenteerd persoon |
| mugei-無芸 | zonder (verworven) talent [begaafdheid] |
| musai-無才 | onbekwaamheid; gebrek aan talent [kennis] |
| mute-無手 | zonder talent [vaardigheden] |
| nasha-無者 | iemand die niets heeft; iemand zonder talent of bezit |
| nō-能 | talent; vaardigheid; bekwaamheid; gave |
| okute-晩稲 | een laatbloeier (iemand wiens talenten laat tot bloei komen) |
| otemae-お手前 | bekwaamheid; talent; vakmanschap |
| rokunusubito-禄盗人 | (beledigende term voor) iemand die zijn salaris niet waard is; (luie) mensen zonder talent [bekwaamheden] die toch een hoog salaris krijgen |
| ryōsai-良才 | talent; een bekwaam persoon |
| ryōzai-良材 | groot talent; bekwaam persoon |
| sai-才 | (aangeboren) talent; aanleg (voor iets) |
| saibutsu-才物 | slim [getalenteerd; begaafd] persoon |
| saijin-才人 | slim [getalenteerd; begaafd] persoon |
| saikan-才幹 | vermogen; bekwaamheid; talent; geschiktheid |
| sainō-才能 | begaafdheid; aanleg; talent; gave |
| sairyoku-才力 | talent; intelligentie |
| saiwan-才腕 | vaardigheid; bekwaamheid; talent |
| seitoku-生得 | aangeboren kwaliteit [gave; talent]; aard; karakter |
| shisai-詩才 | talent voor dichten; dichtgave |
| shisei-資性 | aard; aangeboren kwaliteiten; natuurlijke talenten |
| shitsu-質 | aard [karakter]; (aangeboren) aanleg [talent] |
| shōmanshippu-ショーマンシップ | propagandistisch talent; gave voor het publiekstrekken |
| shōtoku-生得 | aangeboren kwaliteit [gave; talent]; aard; karakter |
| shūsai-秀才 | (de meest) getalenteerde [briljante] persoon [student] |
| shuwan-手腕 | talent; gave; bekwaamheid; vaardigheid |
| soshitsu-素質 | kwaliteit; talent |
| sukauto-スカウト | scout; verkenner; talentenjager |
| taiki-大器 | een groot talent; een talentvolle [veelbelovende] persoon |
| taikibansei-大器晩成 | een laatbloeier; grote talenten groeien langzaam; wat goed is komt langzaam |
| takeru-長ける | uitblinken; zeer goed [getalenteerd; bekwaam] zijn |
| tannō-堪能 | getalenteerd [begenadigd; vaardig; kundig] zijn |
| tarento-タレント | talent; aanleg; vakmanschap |
| tenbun-天分 | (natuurlijk; aangeboren) talent; gave; aanleg |
| tenki-天機 | aanleg; karakter; aard; aangeboren kwaliteiten; natuurtalent |
| tensai-天才 | aangeboren talent; natuurlijke gave |
| tensai-天才 | genie; wonderkind; natuurtalent |
| tesha-手者 | een bekwaam [kundig; getalenteerd; rijk] persoon; meester |
| tesuji-手筋 | aanleg; talent |
| tsubusu-潰す | verspillen (tijd, talent, etc.) |
| utsuwa-器 | bekwaamheid; gave; aanleg; talent; vaardigheid; geschiktheid |
| waromono-悪者 | (arch.) iemand zonder opleiding of talent; een middelmatige persoon |
| zai-材 | talent |