Kruisverwijzing
jam
lemma | meaning |
---|---|
abekawamochi-安倍川餅 | Japanse mochi (rijstcake) met kinako (sojameel) en suiker |
ainiku-生憎 | jammer; helaas; sorry |
dōkoku-慟哭 | gejammer; geweeklaag |
dōkokusuru-慟哭する | weeklagen; jammeren |
gōkyū-号泣 | luide klaagzang; geweeklaag; gejammer |
gōkyūsuru-号泣する | weeklagen; jammeren |
hansen-帆船 | zeilboot; zeilschip; windjammer |
hobune-帆船 | zeilschip; zeilboot; windjammer |
jamaika-ジャマイカ | Jamaica |
jamu-ジャム | jam; gelei; confituur |
jamu・sesshon-ジャム・セッション | jamsessie (improvisatie van (jazz)musici) |
kikoku-鬼哭 | (arch.) het gejammer en geweeklaag van een rusteloze geest of dode ziel |
kokusuru-哭する | bewenen; luid klagen; jammeren |
kuchioshii-口惜しい | ergerlijk; irritant; vervelend; spijtig; betreurenswaardig; jammerlijk |
māmarēdo-マーマレード | marmalade (jam) |
mesomeso-めそめそ | (onomatopee) snikkend; huilend; jammerend; jankend |
monrōshugi-モンロー主義 | monroeleer (genoemd naar de Amerikaanse president James Monroe) |
nasakenai-情けない | schandelijk; jammerlijk; betreurenswaardig |
nemaki-寝巻き | pyjama; nachthemd |
oainikusama-お生憎様 | jammer; helaas |
oriashiku-折悪しく | helaas; ongelegen; slecht uitkomend; op een ongelukkig moment; jammer genoeg |
pajama-パジャマ | pyjama (nachtkleding) |
pijama-ピジャマ | pyjama (nachtkleding) |
razuberī・jamu-ラズベリー・ジャム | frambozenjam |
shamanizumu-シャマニズム | sjamanisme |
sorewasorewa-其れは其れは | (uitroep van verbazing, etc.) mijn hemel; wat jammer |
taruto-タルト | rond gebak met fruit, jam, e.d. |
tōnyū-豆乳 | sojamelk |
tsugarujamisen-津軽三味線 | Tsugaru-jamisen (een type shamisen afkomstig uit de Tsugaru regio) |
tsugarushamisen-津軽三味線 | Tsugaru-jamisen (een type shamisen afkomstig uit de Tsugaru regio) |
yamazakura-山桜 | Japanse (berg) sierkers (Cerasus jamasakura) |
yowane-弱音 | zacht [zwak] geklaag; gejammer |
zannen-残念 | jammer; spijtig |