| chōryō-跳梁 | het woekeren; hoogtij vieren; overheersen |
| deshio-出潮 | hoogtij; vloed; hoogwater; opkomend tij |
| hanazakari-花盛り | (fig.) bloeitijd; hoogtijdagen |
| kōchō-高潮 | hoogtij |
| manchō-満潮 | vloed; hoogwater; hoogtij |
| michishio-満ち潮 | vloed; hoogwater; hoogtij |
| ōkō-横行 | het woekeren; hoogtij vieren; wijdverspreid [veelvoorkomend] zijn |
| sashishio-差し潮 | vloed; hoogtij; hoog getijde |
| seiji-盛時 | hoogtijdagen; glorietijd; periode van welvaart |
| takashio-高潮 | hoogtij; vloed |
| zenseiki-全盛期 | hoogtijdagen; gouden tijdperk; periode van bloei |