akogi-阿漕 | hebzucht; wreedheid |
butsuyoku-物欲 | materialisme; hebzucht; hebberigheid |
don-貪 | (boeddh.) (één van de drie giftigheden in de menselijke ziel) hebzucht |
donran-貪婪 | hebzucht |
don'yoku-貪欲 | hebzucht; gierigheid; inhaligheid |
dōyoku-胴欲 | hebzucht |
garigarimōja-我利我利亡者 | een zeer egoïstische [hebzuchtige] persoon. |
gatsugatsu-がつがつ | hebzuchtig; branden van verlangen |
gōyoku-強欲 | hebzucht; gierigheid |
hangurī・supiritto-ハングリー・スピリット | een hongerige geest; een hebzuchtige [extreem ambitieuze] persoon |
iyashinbō-卑しん坊 | een hebzuchtig [gulzig; vraatzuchtig] persoon; een veelvraat |
kendon-慳貪 | gierig [hebzuchtig] zijn |
kuiiji-食い意地 | hebzucht; gulzigheid; vraatzucht |
muyoku-無欲 | geen verlangens hebben; onzelfzuchtig zijn; vrij van hebzucht zijn |
sairō-豺狼 | berghond en wolf (hebzuchtige en wrede beesten) |
sairō-豺狼 | een hebzuchtig en wreed [meedogenloos] persoon |
shōyoku-小欲 | weinig verlangens hebben; niet erg hebzuchtig zijn |
taiyoku-大欲 | veel verlangens hebben; hebzuchtig zijn |
ton-貪 | hebzucht |
yokubari-欲張り | hebzucht |
yokubaru-欲張る | hebzuchtig [inhalig] zijn |
yokujō-欲情 | hebzucht |
yokuke-欲気 | grote hebzucht; inhaligheid; begeerte |
yokushin-欲心 | hebzucht |