haard / haard ( de (m) | znw | haarden )
1暖炉 [stookplaats]
2家庭 [thuis]
3中心 [middelpunt; focus]
Kruisverwijzing
haard
| lemma | meaning |
|---|---|
| bakushin-爆心 | explosiecentrum; explosiehaard |
| byōsō-病巣 | ziektehaard; besmettingshaard |
| danro-暖炉 | kachel; (vuur)haard |
| haikara-ハイカラ | haardracht in westerse stijl |
| heiro-閉炉 | (in Zen tempels, op eerste dag van de 2de maand van de maankalender) het doven [uitdoen] van de van de vuurhaard [open haard] |
| higezura-髭面 | behaard [bebaard] gezicht |
| higuchi-火口 | brander; brandhaard |
| himoto-火元 | brandhaard; oorsprong [ontstaan] van een brand |
| hitoko-火床 | (vuur)haard; rooster; stookplaats |
| hizara-火皿 | haardrooster |
| irori-囲炉裏 | verzonken haard; stookplaats (vierkant en centraal in de leefruimte) |
| jizai-自在 | (afk. voor) een haak boven een haard of fornuis om een pot of ketel aan te hangen |
| jizaikagi-自在鉤 | een haak boven een haard of fornuis om een pot of ketel aan te hangen |
| kairo-開炉 | (in Zen tempels, op de eerste dag van de 10de maand van de maankalender) het aansteken van de vuurhaard [open haard] |
| kanbu-患部 | het aangetaste deel (van een wond); ziektehaard |
| kansengen-感染源 | besmettingshaard |
| karotōsen-夏炉冬扇 | iets dat nutteloos is, zoals een haard in de zomer of een waaier in de winter |
| kebukai-毛深い | harig; behaard |
| kedarakeno-毛だらけの | harig; behaard |
| kemukujara-毛むくじゃら | dichte beharing; het (dicht) behaard zijn |
| ketō-毛唐 | (een denigrerende term voor) een (behaarde) buitenlander; westerling |
| kōjin-荒神 | (afk. voor) godheid die de drie Schatten (Boeddha, Dharma en Sangha) beschermt; de God van het vuur, de haard en de keuken |
| mosamosa-もさもさ | behaard (persoon); dichtbegroeid (planten) |
| pechika-ペチカ | Russisch (gemetseld) fornuis [open haard] |
| ponītēru-ポニーテール | paardenstaart (haardracht met het haar samengebonden in een staart) |
| rihatsu-理髪 | kapsel; coupe; haardracht |
| ro-炉 | (open) haard; (smelt)oven |
| robata-炉端 | dichtbij [rond] de (open) haard |
| sanbōkōjin-三宝荒神 | godheid die de drie Schatten (Boeddha, Dharma en Sangha) beschermt; de God van het vuur, de haard en de keuken |
| sanpatsudattōrei -散髪脱刀令 | (Meiji) proclamatie in 1871, ter afschaffing van de klassieke haardracht van de samoerai en een verbod op het publiekelijk dragen van zwaarden |
| shagī-シャギー | ruig; behaard; wild; grof; oneffen |