gehoor / ge-hoor ( het (o) | znw. | g.m.v. )
1聴力; 聴覚 [het zintuig; het kunnen horen]
2聞くこと [het horen; luisteren]
3聴衆; 観衆 [toehoorders; publiek]
4音感 [muzikaal gehoor]
Kruisverwijzing
gehoor
| lemma | meaning |
|---|---|
| chinkotsu-砧骨 | incus; aambeeld (gehoorbeentje) |
| chōkaku-聴覚 | gehoor (zintuig) |
| chōryoku-聴力 | gehoor; auditief vermogen |
| ekken-謁見 | audiëntie; officieel gehoor (verleend door een hooggeplaatst persoon) |
| fukō-不孝 | ongehoorzaamheid; trouweloosheid |
| fukujū-服従 | gehoorzaamheid |
| fukujūsuru-服従する | gehoorzamen |
| fukusuru-服する | gehoorzamen; zich onderwerpen aan; accepteren; zich houden aan |
| fushōfuzui-夫唱婦随 | (de opvatting:) een vrouw moet haar man gehoorzamen [moet doen wat haar man vraagt] |
| futei-不逞 | ongehoorzaamheid; insubordinatie; opstandigheid |
| hankō-反抗 | opstand; weerstand; verzet; insubordinatie; ongehoorzaamheid |
| hankōteki-反抗的 | opstandig; vijandig; ongehoorzaam |
| hayamimi-早耳 | iemand met een goed gehoor |
| hayamimi-早耳 | een scherp [goed] gehoor |
| hiri-非理 | onredelijk; ongehoorzaam; onlogisch; absurd |
| hō-奉 | (in combinatie met andere karakters) toewijding; offer; eerbied; gehoorzaamheid |
| hochōki-補聴器 | gehoorapparaat; audiofoon |
| ihai-違背 | ongehoorzaamheid |
| ii-唯唯 | onderdanig [gehoorzaam; slaafs] zijn |
| ījī・risuningu-イージー・リスニング | gemakkelijk in het gehoor liggende muziek |
| ījī・risuningu・myūjikku-イージー・リスニング・ミュージック | gemakkelijk in het gehoor liggende muziek |
| itsuninaku-いつになく | ongewoon; ongebruikelijk; ongehoord; … dan ooit tevoren |
| jidai-事大 | onderdanigheid; gehoorzaamheid |
| jūjun-従順 | gehoorzaamheid; volgzaamheid |
| jūjun-柔順 | gehoorzaam [volgzaam; zachtmoedig] zijn |
| jungyaku-順逆 | gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid; loyaliteit en verraad |
| junpō-遵奉 | gehoorzaamheid; inachtneming [naleving] van voorschriften [regels] |
| junshu-遵守 | naleving; inachtneming; eerbiediging; gehoorzaamheid |
| junshusuru-遵守する | naleven; gehoorzamen; zich houden aan; eerbiedigen |
| jūzoku-従属 | ondergeschiktheid; afhankelijkheid; gehoorzaamheid |
| kemu-けむ | (duidt op iets in het verleden dat niet door jezelf geverifieerd kan worden) ik hoorde [heb gehoord] dat; hij zei [zou hebben gezegd] dat |
| ken-けん | (vorm van het hulpww. けむ; drukt een veronderstelling [vermoeden] uit over een iets uit het verleden) zou; waarschijnlijk; ik heb gehoord dat |
| kikifurusu-聞き古す | een cliché worden; afgezaagd worden (omdat je het al zo vaak hebt gehoord) |
| kikioboe-聞き覚え | herinnering aan wat je eerder hebt gehoord |
| kikioboeru-聞き覚える | je iets herinneren dat je (eerder) hebt gehoord |
| kikoeru-聞こえる | kunnen horen; hoorbaar zijn; gehoord worden |
| kinutakotsu-砧骨 | incus; aambeeld (gehoorbeentje) |
| kisuru-帰する | zich overgeven; gehoorzamen |
| kōdō-講堂 | collegezaal; gehoorzaal |
| kōjun-孝順 | kinderlijke gehoorzaamheid; gehoorzaamheid aan je ouders |
| kōkaidō-公会堂 | hal voor publieke bijeenkomsten; gemeenschapszaal; stadsgehoorzaal |
| kōkō-孝行 | (Confucianisme) trouw en gehoorzaamheid (van kinderen) aan hun ouders (of andere oudere familieleden) |
| kōtei-孝悌 | (confucianisme) eerbied voor ouderen; kinderlijke gehoorzaamheid; vroomheid; broederliefde |
| kyokuji-曲事 | ongehoorzaamheid (aan de wet); straf voor ongehoorzaamheid |
| kyūbun-旧聞 | oud verhaal; (altijd) hetzelfde verhaal; een verhaal dat ik al eerder heb gehoord |
| mimiatarashii-耳新しい | nieuw; nog niet eerder gehoord |
| mimigakumon-耳学問 | het improviseren; afgaan op wat je hebt gehoord; op z'n gevoel afgaan |
| mimizatoi-耳聡い | een scherp [goed] gehoor hebbend |
| mizou-未曾有 | ongekend [ongehoord; uniek; zonder weerga] zijn; iets dat nooit eerder voorgekomen is |
| muteikō-無抵抗 | zonder weerstand; gehoorzaamheid |
| nandemo-何でも | het schijnt dat; men zegt dat; ik heb gehoord dat |
| nyozegamon-如是我聞 | woorden aan het begin van een soetra: Aldus heb ik gehoord |
| ōdiensu-オーディエンス | publiek; gehoor; toehoorders |
| ōshō-応召 | het reageren op [gehoor geven aan] een oproep (voor militaire dienst) |
| otonashii-大人しい | rustig; stil; gehoorzaam; volgzaam; braaf; beleefd; fatsoenlijk |
| sakarau-逆らう | niet gehoorzamen; rebelleren |
| shichidōgaran-七堂伽藍 | (boeddh.) de zeven hoofdgebouwen van een tempelcomplex (hoofdzaal, pagode, gehoorzaal, klokkentoren, opslaghuis van soetra's, eetzaal en slaapzaal) |
| shichōkaku-視聴覚 | de zintuigen gezicht en gehoor (zien en horen) |
| shitagau-従う | gehoorzamen; (na)volgen |
| sōtaionkan-相対音感 | relatief gehoor |
| sunao-素直 | mildheid; zachtaardigheid; gehoorzaamheid |
| tatetsuku-盾突く | trotseren; tarten; zich verzetten; niet gehoorzamen; in opstand komen |
| toiukotoda-と言うことだ | (drukt uit de betekenis van horen zeggen) ik heb gehoord dat; naar verluidt; men zegt; het zal wel |
| ubenau-諾う | toestemmen; instemmen; bevestigen; akkoord gaan; gehoorzamen |
| wagamama-我が儘 | egoïsme; zelfzuchtigheid; ongehoorzaamheid |
| zettaionkan-絶対音感 | absoluut gehoor |
| zokuji-俗耳 | de aandacht [het gehoor] van het grote publiek |
| zuijun-随順 | nederige gehoorzaamheid; onderdanigheid |