fluit / fluit ( de (m/v) | znw | fluiten )
1笛; フルート [(muziekinstrument)]
2ホイッスル [(fluitje)]
Kruisverwijzing
fluit
| lemma | meaning |
|---|---|
| asameshimae-朝飯前 | heel gemakkelijk; een fluitje van een cent; kinderspel |
| ashibue-葦笛 | rietpijp; rietfluit |
| bokuteki-牧笛 | herdersfluit |
| charumera-チャルメラ | schalmei (fluit) |
| fue-笛 | fluitje; fluitsignaal |
| fue-笛 | blaasinstrument; fluit; pijp |
| furūto-フルート | fluit |
| gokurakutonbo-極楽蜻蛉 | een zorgeloze ziel; flierefluiter; vrolijke frans |
| gōteki-号笛 | hoorn; sirene; toeter; seinfluit |
| hatsukausagi-二十日兎 | fluithaas; pika |
| hoissuru-ホイッスル | fluit; fluitje |
| hoozuki-酸漿 | een kelkblad van de lampionplant dat fungeert als fluitje waar kinderen op blazen |
| kabura-鏑 | (afk. voor) een pijl met een fluitje aan de pijlpunt, dat geluid maakt als de pijl wordt afgeschoten; werd gebruikt door samoerai in het feodale Japan |
| kaburaya-鏑矢 | een pijl waar aan de punt een fluitje is bevestigd (dat geluid maakt als de pijl wordt afgeschoten; werd gebruikt door samoerai in het feodale Japan) |
| kan-管 | een woord om voorwerpen zoals fluiten en penselen te tellen |
| keiteki-警笛 | alarmfluit; (ge)toeter; (mist)hoorn |
| kēna-ケーナ | quena (de traditionele fluit van de Andes) |
| ketoru-ケトル | ketel; waterketel; fluitketel; waterkoker |
| kiteki-汽笛 | het geluid van een stoomfluit |
| kiteki-汽笛 | een stoomfluit |
| koteki-鼓笛 | (drum en fife) trommel en fluit |
| kuchibue-口笛 | (met de mond) het fluiten; gefluit; fluitje |
| kuda-管 | (afk. voor) (muziekinstrument) pijpfluit (kleine buisvormige fluit die op het slagveld wordt gebruikt) |
| kudanofue-管の笛 | (muziekinstrument) pijpfluit (kleine buisvormige fluit die op het slagveld wordt gebruikt) |
| kuinabue-水鶏笛 | een fluit om watervogels te lokken |
| kusabue-草笛 | rietfluit; riet [tong] (van blaasinstrument) |
| mateki-魔笛 | toverfluit |
| mateki-魔笛 | De Toverfluit (Die Zauberflöte, opera van Mozart) |
| mogaribue-虎落笛 | het fluitende geluid van een winterse wind die door een bamboe hek waait |
| nakigoe-鳴き声 | dierengeluiden (geblaf, gehinnik, gekwaak, gefluit, gemiauw, etc.) |
| narasu-鳴らす | laten klinken (rinkelen; bellen; fluiten; klappen; rammelen, etc.) |
| ochanoko-お茶の子 | een makkelijk klusje; een makkie; een fluitje van een cent |
| panpaipu-パンパイプ | panfluit |
| piipii-ぴいぴい | (onomatopee) piepend; fluitend; tjirpend; huilend; jankend |
| piripiri-ぴりぴり | (onomatopee) fluitend (geluid) |
| pyūpyū-ぴゅうぴゅう | (onomatopee) scherp [schril] [hoog] fluitend geluid van wind of projectielen |
| rīdo-リード | rietfluit; rietje (van blaasinstrument) |
| rikōdā-リコーダー | blokfluit |
| shakuhachi-尺八 | Japanse bamboefluit (met 5 gaatjes) |
| suimei-吹鳴 | (het) fluiten; blazen op een fluit, e.d. |
| tatebue-縦笛 | blokfluit |
| teki-笛 | (Chinese) fluit |
| yobiko-呼び子 | fluitje (om iemand te waarschuwen of roepen) |
| yobuko-呼ぶ子 | fluitje (om iemand te waarschuwen of roepen) |
| yokobue-横笛 | dwarsfluit |
| yoshibue-葦笛 | rietpijp; rietfluit |