flauw / flauw ( bn )
1かすかな; 弱々よわよわしい [niet helder; zwak]
een flauwe glimlach
かすかな微笑
een flauwe [zwakke] stem
弱々しい声
2面白おもしろくもない [niet grappig]
een flauwe grap
面白くもない冗談
3ゆるやかな [niet sterk gebogen]
een flauwe bocht
緩やかなカーブ
4あじのない; 調ちょうりょうのない [met weinig of geen smaak; ongekruid]