Kruisverwijzing
aanvallen
| lemma | meaning |
|---|---|
| bōshi-帽子 | aanvallende zet bij het spel go |
| chājingu-チャージング | (sport) aanvallen; uitvallen |
| damashiuchi-騙し討ち | een verrassingsaanval; iemand met een list afleiden en dan aanvallen; vals spel |
| fīrudingu-フィールディング | (honkbal) het veldspelen (= verdedigen, i.t.t. aanvallen = de slagbeurt) |
| geki-撃 | (in kanji combinaties) (hard) slaan; (met kracht) aanvallen; schieten; hard raken (ook fig.) zien; voelen; tasten |
| hāfubakku-ハーフバック | (voetbal) middenvelder; halfspeler; (American football) aanvallender middenspeler |
| kamitsuku-噛み付く | iem. afsnauwen [aanvallen]; uitvaren tegen iemand |
| kirikomu-切り込む | aanvallen; door de vijandelijke linies vechten |
| kōgekisuru-攻撃する | aanvallen; een aanval [inval] doen; bekritiseren |
| kōgekiteki-攻撃的 | agressief; aanvallend; strijdlustig |
| kyōshūsuru-強襲する | bestormen; iem. of iets fel aanvallen; stormenderhand veroveren |
| momu-揉む | hardnekkig aanvallen; duwen |
| osoikakaru-襲い掛かる | aanvallen; bespringen |
| panikkushōgai-パニック障害 | paniekstoornis (een psychische stoornis waarbij de patiënt herhaaldelijk paniekaanvallen heeft) |
| semeotosu-攻め落とす | een vijandelijk leger aanvallen en verslaan |
| semeyoseru-攻め寄せる | aanvallend benaderen, aanstormen op |
| shingekisuru-進撃する | (de vijand) aanvallen; bestormen; opmarcheren |
| shinkōsuru-進攻する | aanvallen; oprukken |
| sokkōsuru-速攻する | direct aanvallen; snel aanvallen |
| tobikakaru-飛びかかる | zich op iemand [iets] storten; aanvallen |
| torai-トライ | (rugby) de actie dat het aanvallende team 5 punten scoort door de bal op de grond te drukken in het doelgebied van de tegenstander |
| tsukkomu-突っ込む | (snel of hard) induiken; invliegen; inrammen; opbotsen; bestormen; aanvallen |
| yattsukeru-やっつける | aanvallen (fig.); bekritiseren |
| yattsukeru-やっつける | en aanval plaatsen; aanvallen; achter iemand aangaan; (neer)slaan; verslaan; opruimen; vermoorden |
| yosete-寄せ手 | aanvallende [oprukkende] leger [macht; vijand] |