godsnaam / gods-naam ( de (m) | znw | g.m.v. )
1かみ御名みな [de naam van God]
神の御名にかけて; 神の御名において
in godsnaam
2一体全体いったいぜんたい [als uitroep van verbazing]
一体全体どうしたんだ。
Wat is er in godsnaam [in hemelsnaam] aan de hand?