daru-だる | moe zijn; vermoeid [uitgeput] zijn [worden; raken] |
ganseihirō-眼精疲労 | vermoeidheid van de ogen |
hirō-疲労 | vermoeidheid; moeheid |
kentai-倦怠 | vermoeidheid; lusteloosheid |
kutakuta-くたくた | (onomatopee) uitgeput; op; doodmoe; dodelijk vermoeid |
namidame-涙目 | ogen die gauw tranen (bij vermoeidheid, e.d.) |
shindoi-しんどい | vermoeid; uitgeput |
shinrō-心労 | mentale uitputting [vermoeidheid] |
shorō-所労 | vermoeidheid; uitputting |
tameiki-溜息 | een zucht (van vermoeidheid, opluchting, e.d.) |
tsukare-疲れ | vermoeidheid; uitputting |
tsukareru-疲れる | moe worden; vermoeid [uitgeput] zijn [worden; raken] |