uitpakken / uit-pak-ken ( ww )
1ける [uit een verpakking halen; openen]
een cadeau uitpakken
プレゼントを開ける
2まえよくもてなす [(gasten) goed [gul] ontvangen]
3盛大せいだいにやる [groots aanpakken]
4 [gaan; aflopen]
goed uitpakken
うまく行く
niet goed uitpakken
うまく行かない