誅 chū znw.
1 het beschuldigen; aanklagen; veroordelen; executeren (van een misdadiger)
誅求
afzetterij; knevelarij; het heffen van te zware belastingen
afzetterij; knevelarij; het heffen van te zware belastingen
天誅
goddelijke straf; God's toorn
goddelijke straf; God's toorn